home

Ik voel je pijn

Lang, lang geleden (ik geloof augustus van het jaar 2007) was er een man in een grote stad, in een land hier ver vandaan. Al een tijd liep hij met zijn ziel onder zijn arm, want het leven zat niet mee, de laatste tijd. Dus deed hij wat hij vaker had gedaan in tijden van grote crises: hij ging winkelen.

Het was al laat op de avond, maar hij woonde in een stad die nooit sliep en aan de rand van het grote bos stond een glazen kubus, de Apple Store, die altijd open was. Twenty-Four/Seven. In de winkel trof hij een alleraardigste winkelbediende die hem nieuwsgierig vroeg waar hij naar zocht. “Ik wil graag deze iMac,” zei de man en onmiddellijk zag hij een schittering opgloeien in de ogen van de winkelbediende. Maar het was geen schittering van enthousiasme; eerder een niet te verhullen sarcasme. “Deze iMac?” zei de winkelbediende lacherig, en binnen een minuut was de koop georganiseerd en stond onze man in de rij voor de kassa.

Eenmaal aan de beurt las de caissière op haar Apple scherm wat de man bij haar kwam betalen: “Een iMac, meneer!” Een sarcastische schittering gloeide op in de ogen van de caissière, en de man dacht: “Wat een snotkids werken er tegenwoordig toch in die trendy Apple winkels.” Waarop hij haar nors zijn American Express kaart overhandigde. De kaart door het apparaat heenritsend zei ze met diezelfde twinkeling in haar ogen: “There is a 10 percent shelving fee when returning any opened box, sir. Please sign here.

Het was al laat en de reis terug naar huis duurde lang. Eenmaal thuis aangekomen zette de man de reusachtige Apple doos naast zijn bed neer en ging slapen.

Toen hij ’s ochtends wakker werd en de doos zag staan, voelde hij zich als een tienjarig jongetje dat wakker wordt en zich realiseert dat zijn verjaardag eindelijk is aangebroken. Opgewonden pakte hij zijn iMac uit. Het was het grootste en snelste model en terwijl hij het enorme witte ding op zijn bureau bewonderde, voelde hij een gelukzaligheid in zijn borst opborrelen die hij al lang, heel lang, niet meer gevoeld had. Soms helpt geld uitgeven echt, dacht hij nog.

Toen klonk de deurbel. Een vriend kwam langs. Vluchtig staarde die naar de zojuist uitgepakte computer en zei opgewonden: “Oh, heb je de nieuwe iMac al gezien?” Onze man keek hem niet begrijpend aan. “De nieuwe iMac? Dit is een nieuwe iMac, ik heb hem nog geen 12 uur!”

Zijn vriend schudde beslist zijn hoofd. “Apple presenteerde vanochtend hun nieuwe lijn. De nieuwe iMacs zitten in een schitterende aluminium behuizing, ze zijn een stuk sneller en beter, ze zijn $300 in prijs verlaagd en ze staan per direct in de winkel!”

De mond van onze man viel open. Hij staarde naar zijn witte plastic iMac die plotseling al zijn schoonheid had verloren. In een fractie van een seconde loste het nieuwgevonden geluk in zijn inborst op.

Een uur later stond hij met zijn weer ingepakte iMac in de winkel. Van alle opwinding had hij vergeten te ontbijten, en licht in het hoofd en met trillende handen hield hij een winkelbediende aan. “Ik heb vannacht deze iMac gekocht en kom hem ruilen voor het nieuwe model.” “Dat kan,” zei de winkelbediende op een opgeruimde toon. “U moet natuurlijk wel een 10 procent inruilprijs betalen, want ik zie dat u de doos geopend hebt.”

Onze man slikte toen hij deze woorden hoorde. Hij keek naar zijn aankoopbon en rekende uit dat hem dat bijna $300 ging kosten. De lichtheid in zijn hoofd zette zich om in een forse duizeligheid en de bon schudde heftig in zijn hand. “Maar dat is niet eerlijk!…” stamelde hij, “Als u gisteren had aangekondigd dat ik vandaag terug moest komen voor een beter en goedkoper model, dan kan ik me dat voorstellen, maar je kunt niet opzettelijk informatie achterhouden en mensen even later laten boeten voor een berouwde aankoop.” De winkelbediende keek hem vriendelijk aan. “It’s our policy not to announce new products before they are in store, sir. En ik ben er zeker van dat u bent ingelicht over ons inruilbeleid. Laat ik het magazijn vast doorgeven dat ze een nieuwe iMac voor u halen, dan kunt u de zaak ondertussen financieel afhandelen met mijn collega aan de kassa.”

Toen werd onze man boos. Hij gebruikte woorden als scam! en absurdity! en unacceptable! en de winkelbediende zocht zenuwachtig om zich heen naar assistentie. Die kwam snel opdagen in de vorm van de store manager, een allervriendelijkste vent. Maar onze man was niet te temperen. En hoewel normaliter terughoudend in zijn emoties, leek het of op deze ochtend alle opgekropte woede en verdriet van de afgelopen maanden zich samenbalden en de vrije loop kregen. Hij verhief zijn trillende stem en balde zijn vuist om het langzaam verfrommelende aankoopbewijs, en spuwde zijn gal in niet mis te verstane woorden. En voor hij wist wat hem overkwam, had zich om hen heen een schare toeschouwers verzameld die toekeek met groot opgezette ogen, en onze man verloor zich in zijn woede en ontzetting en toen, toen, toen barste hij uit in een verschrikkelijk verdriet. Zijn stem brak en een huivering schoot door zijn lijf en tranen rolden over zijn wangen. En toen pakte de store manager hem bij zijn beide schouders beet, en onze man zag dat ook in de ogen van de store manager tranen verschenen, en de store manager trok hem naar zich toe en sloeg zijn armen om hem heen, in een troostende hug die onze man al zolang had gemist. “I feel your pain,” fluisterde de store manager met trillende stem.

Vijf minuten later zat onze man in een taxi op weg terug naar huis. Met een spiksplinter nieuwe iMac in aluminium behuizing, en $300 dollar teruggeschreven naar zijn American Express kaart. Tevreden staarde hij uit het raam en zag hij de stad aan zich voorbij glijden. De zon scheen en hoewel er een donkere winter voor hem lag, voelde hij als nooit tevoren dat de ergste tijd voorbij was.

Voorbij

Een paar maanden geleden ontmoette ik een man. Een prachtvent met persoonlijkheid. Er laaide onverwacht een storm op in mijn leven, zo krachtig en overrompelend, dat ik het bijna niet kon geloven. Maar heel snel daarna werd het ook pijnlijk. Gemeen. Onvolwassen. En een maand geleden flikte hij me iets dat niemand me ooit heeft geflikt; zo onnodig dat ik het bijna niet kon geloven.

De laatste maand heb ik die man met succes uit mijn leven verbannen. De laatste week denk ik zelfs helemaal niet meer aan hem.

Tot ik op het perron sta van de A trein op 59th Street. Ik heb die jas aan die ik alleen aantrek als ik echt goed voor de dag moet komen. In mijn zak voel ik iets; het zijn de kaartjes voor de film die we die eerste week samen hebben gezien. Een obscure film in een bioscoopje in de East Village. In een naar popcorn stinkend zaaltje. Dicht aangekropen tegen die prachtvent met persoonlijkheid. Hij fluistert zijn commentaar in mijn oor. Zijn mond raakt mijn oor aan. Ik krijg kippenvel.

Dan komt de A het metrostation binnengedonderd. De wind doet mijn ogen branden. Ik werp de bioscoopkaartjes in de afvalbak, werk me door de menigte en stap in.

Unacceptable

Ik bestel een pond Frans Italiaanse espressobonen, gemalen voor een potje op het fornuis, als de vrouw met het yogamatje onder haar oksel naast me komt staan. Ze is een typisch New Yorkse verschijning; een schichtig, frêle mens van middelbare leeftijd, met een dwingende blik, nauwkeurig maar quasi-nonchalant gestileerd haar, en eclectische kledij. “Excuse me!” roept ze met een afgeknepen stemmetje, “Excuse me!” Ze is nog niet aan de beurt, maar denkt daar zelf blijkbaar anders over.
Een van de jongens achter de tonnen met koffiebonen draait zich vragend naar haar om. “Ma’am?”
“Welke van deze koffiebonen heeft de laagste zuurgraad?”
Terwijl ze naar het assortiment voor zich wijst, zwaait ze met haar yogamatje ongemerkt een zak pretzels van een rek achter zich. De zak ploft pal achter haar neer op de grond. Ze doet een stapje achterwaarts en zakt met haar hiel in de krakende pretzels. Terwijl de jongen haar voorlicht schiet haar blik even omlaag. Ze ziet de zak pretzels liggen en plaats haar voet nog iets verder naar achter. Ze trapt midden op de zak. Ik hoor hoe de pretzels onder haar voet verpulveren.
“Sorry-” begin ik, maar ze piekert er niet over mij enige aandacht te schenken. Ongeduldig schudt ze haar hoofd, “No, no, no! Ik vraag niet welke koffie het mildst is, jongeman, maar welke koffie de laagste zúúrgraad heeft!”
Na overleg met een collega concludeert de Zabar’s koffieverkoper dat de Kona Style koffiebonen uit Hawaï de beste optie zijn.
Even staart ze hem wantrouwend aan. “Fine,” verzucht ze dan, “Doe me daar maar een half pond van.”
De jongen pakt de metalen schep met Kona Style koffiebonen uit de ton en kiepert de bonen beetje bij beetje over in een papieren zak. Terwijl hij de zak afweegt priemt de yogadame met haar wijsvinger naar zijn hand met schep. “Young man,” stelt ze streng, “Zie je die gaten in je latex handschoen?”
De jongeman laat de schep met een zachte plof in de ton met koffiebonen vallen en kijkt naar zijn hand. Twee van zijn nagels zijn door de vingertoppen van de latex handschoen heen gescheurd.
That is disgusting!” stelt ze vol walging.
I’m very sorry, ma’am,” zegt de jongen.
You better! Because this is unacceptable!
De jongen kijkt haar met vlakke ogen aan. Hij zal haar ongetwijfeld het liefst een mep verkopen, maar hij gedraagt zich voorbeeldig. “Ik zal meteen nieuwe handschoenen aantrekken, mevrouw.”
I really, really take offense to this,” stamelt ze geshockeerd.
Again, I’m terribly sorry, ma’am.
Zijn collega overhandigt me mijn gemalen Frans Italiaanse bonen. Met ingehouden adem stap ik verder.

Vijf minuten later sta ik bij de kassa, als de yogadame achter me verschijnt. Ze moet zichzelf verschrikkelijk hebben op staan jutten, want ze ziet lijkbleek en haar mond trilt van woede. “Excuse me sir,” roept ze met licht overslaande stem naar een meneer met een Zabar’s badge op zijn borst. “Uw personeel werkt onhygiënisch en gedraagt zich volkomen onverantwoord. Bij de koffiebonen staat een latino joch wiens nagels door zijn handschoenen heen steken. Ik bedoel maar, deze bonen…” Ze houdt de zak met gemalen koffiebonen vol afgrijzen naar de man omhoog, die begrijpend knikt. “Ik-ik-ik… Ik wil ze niet eens meer hebben, zo misselijk ben ik geworden van dat onsmakelijke tafereel.” Ze duwt hem de bonen toe. “En eerlijk gezegd, ik wil helemaal niets meer van uw winkel.” Demonstratief zet ze haar boodschappenmandje met winkelwaar naast zich neer op de grond. It’s unacceptable!” De verontschuldigende winkelmanager negerend draait ze zich naar me om.“Excuse me!” zegt ze tegen me, aangevend dat ze er langs wil.
Ik neem een besluit en schud mijn hoofd. “Weet u wat?” vraag ik haar minstens zo beslist.
Ze kijkt me niet begrijpend aan.
“U bent de meest verschrikkelijke persoon die ik in weken ben tegengekomen. En u moet er maar eens mee ophouden om uw zurigheid bot te vieren op wildvreemden. Vecht het maar uit met de mensen die u zo hebben gemaakt.”
Haar ogen staan wijd van verbijstering.
De caissière overhandigt me mijn bonnetje en mijn boodschappen.
Ik draai me om en loop de zaak uit. Zonnig Broadway betredend slaak ik een zucht van verlichting.
Dit wordt een topdag.

Propaganda


Ik heb mijn greencard deze maand precies drie jaar. Over twee jaar kom ik in aanmerking voor het Amerikaanse staatsburgerschap. Tot die tijd mag ik niet stemmen.

Maar ik kan natuurlijk altijd doen alsof. Met een button op mijn borst. Of hier, op mijn blog.

Niet dat het veel Amerikaanse stemmen zal trekken…

Een Nieuwe Lente


“Hee!…”

……

“Joehoe!”

……

“Casper!”

“Oh. Hoi.”
“Goh, dat ik jou hier nou toch zomaar weer tref! Ik dacht, die jongen leeft niet meer…”
“Nee, een beetje druk, hè, dat is alles.”
“Een beetje druk? Je bent bijna een jaar lang weggeweest!”
“Nou, een klein jaartje maar, hoor.”
“En nooit effe iets laten horen!”
“Ja, het was even aanpoten.”
“Hoezo aanpoten?”
“Nou…”
“Nou wat dan?”
“Persoonlijke ellende. Van die dingen waar je liever niet over schrijft.”
“Wat voor dingen?”
“Je weet wel.”
“Nee.”
“Uit elkaar en zo.”
“Uit elkaar? Jij en die Amerikaan van je?”
“Ja.”
“Sinds wanneer?”
“Sinds een klein jaartje.”
“Gossie.”
“Ja.”
“Ben je nou weer terug in Nederland dan?”
“Nee.”
“Je bent nog steeds in New York?”
“Ja.”
“Hoelang waren jullie samen, dan?”
“Best lang.”
“Elf jaar of zo?”
“Ik heb het er liever niet over.”
“Wie heeft het uitgemaakt?
“Ik wil het er liever niet –”
“Okee, okee. Maar ga je nu wel weer eens wat schrijven?”
“Yep.”
“Echt?”
“Tuurlijk.”
“Zeker weten?”
“Absoluut.”
“Okee. Nou, daar houd ik je dan aan. Gaat het nu wel weer goed dan?”
“Heel goed.”
“Echt?”
“Echt.”
“Okee. Nou… Tot snel dan.”
“Ja, tot gauw.”
“Oh… Casper?…”

……..

“Casper!”
“Ja?”
“D’r zit iets groens tussen je tanden.”