Nieuw Amsterdammer
  • Archives
  • December28th

    In de Soep

    Posted in: LIFE

    De taxirit van de Upper West Side naar JFK heeft veel weg van een achtervolgingsscène uit een Dirty Harry film. Tijdens de zes en een half uurs vlucht maak ik de stompzinnige fout om Zwartboek helemaal uit te kijken. Na dertig minuten taxiën over de Polderbaan wachten we veertig minuten op de eerste koffers. Dan, halverwege een computergenavigeerde taxirit naar een van de bekendste straten van Amsterdam, rinkelt het prepaid mobieltje waarop ik nog 65 cent van m’n vorige bezoek aan Nederland heb staan.

    “Hoi, zijn jullie al in Amsterdam?”

    “Bijna.”

    “Mooi, wil je even bij een Appie langs voor een blik Unox tomatensoep? Rij je over de Overtoom? Op de Overtoom zit een Appie.”

    “Pardon?”

    “Crème. Beslist niet de gewone, maar tomaten-crème-soep.”

    Volgt een verhandeling over de oppas die meteen weg moest en de supermarkt om de hoek waar het een gekkenhuis is met de kerst zo vlak voor de deur en ze moet ook de kleren van de drie kinderen nog bijeen verzamelen en “Sam! Sammie, laat Jochem’s haren los!” Sam!” Dan kondigt een allervriendelijkste mevrouw het einde van mijn beltegoed aan.

    Na twee Albert Heijnen, een Avis garage en anderhalf uur snelweg komen we aan.

    “Waarom hing je me nou op? Was je boos? Had ik het je niet moeten vragen? Sam! Zeg ome Casper eens gedag! Die is helemaal uit New York over komen vliegen! Heb je het wel bij je? De soep? Want ik maak gamba’s vooraf en dat eten die drie kleine etterbakken niet. Zit het voorin? Zit het hier in? Kan ik het open maken?”

    Ik ritst de tas open en haal het familieblik Unox tomatencrèmesoep tevoorschijn. “Voilà.”

    Haar blik verstart. IJzig staart ze naar het etiket. “Stevig gevuld.”

    “Pardon?”

    “Je hebt de stevig gevulde tomatencrèmesoep gekocht. Daar drijven van die dingen in. Dat lusten ze dus niet.” Haar pissigheid nog maar nauwelijks de baas sjokt ze met het blik weg naar de keuken. “Heb ik me daar he-le-maal voor niks druk om gemaakt,” pruttelt ze na.

  • December20th

    Stinktrein

    Posted in: LIFE


    Het is vroeg in de avond en het perron van de metro aan 14th Street en 7th Avenue staat bomvol mensen. Reikhalzend wordt uitgekeken naar de volgende express trein. Als de nummer 2 binnenrijdt blijken alle treinstellen afgeladen vol. Tot aan het treinstel dat vlak voor me tot stilstand komt. Dat is helemaal leeg. Blijverrast dromt de menigte om me heen bij de metrodeuren samen; de deuren schuiven open en als een zwerm kleine kinderen die de klas verlaat bestormen we de trein.

    Dan volgt de gewaarwording. Bij de eerste ademhaling gaat er een huivering door mijn lijf. Zelden heeft stank zoveel impact gehad. Om me heen zie ik vertrekkende gezichten. Een bejaarde man slaakt een kreet van ontzetting. Een zwarte vrouw met een enorme omvang maakt vlak voor mij rechtsomkeert en duwt mij zonder pardon aan de kant. “Let me out! Let me out of the car!” Er wordt gegild, gezucht, gewapperd met kranten. Nog meer mensen stormen naar buiten, anderen aan de kant duwend. Dan klinkt de onverbiddelijke stem van de conducteur door de speakers:“Stand clear of the closing doors!”

    De deuren schuiven dicht en de menigte in de trein staart hulpeloos in het rond. Er worden sjaals om hoofden gewikkeld. Neuzen worden demonstratief dichtgeknepen, wenkbrauwen gefronst. Om maar vooral geen verdenking op de hals te halen. Alsof het menselijkerwijs mogelijk zou zijn zo’n stank te produceren.

    De deuren naar de voor en achterliggende treinstellen worden geopend en met hun volle gewicht werken mensen zich het treinstel uit. Maar vanuit de volgepakte treinstellen klinkt protest op. “Shut that fucking door!”

    Ik besluit kalm te blijven en neem plaats tegenover een dakloze man. Terwijl hij op zijn rode lolly sabbelt blikt hij spottend naar het hysterische volk om hem heen. Een Puertoricaans meisje tuurt donker naar zijn bruingevlekte broek en naar zijn hemd waarvan al lang niet meer te zeggen valt wat voor kleur dat ooit heeft gehad. De vieze man kijkt haar als gestoken aan, haalt de lolly uit zijn tandeloze mond en bijt met een nuffig stemmetje van zich af: “Jesus-Joseph-and-Mary! Do you really think this is me?!” Andere mensen schudden beslist hun hoofden. “I know it’s not you, pal,” zegt een man in pak, “This smells like death.” “A dead rat,” vult iemand anders aan. “Twenty dead rats!” klinkt het wanhopig vanuit de andere kant van het treinstel. “Twenty dead rats in a cheese shop!”

    De trein remt af voor de metrohalte van Penn Station. Als de deuren openschuiven is het treinstel in een paar seconde weer leeg. Vanaf het perron kijk ik geamuseerd rond naar mijn reisgenoten die de New Yorkse ondergrondse perronlucht inademen alsof ze op een Alpentop staan. Achter me hoor ik een meneer zijn vrouw toeroepen: “Honey, here! This train has lots of space!” Blij stappen ze in. Dan slaakt de vrouw al een wanhoopskreet. “No!” roept de man. “No! NOOOO!” Stand clear of the closing doors! Hij grijpt zijn vrouw bij de arm en stapt weer op de schuifdeuren af. Maar het is te laat voor deze arme zielen.

    Ik zie hoe de vrouw murw neerzijgt tegenover de dakloze man. Wantrouwend loert hij even haar kant op. Dan, als de nummer 2 langzaamaan het perron verlaat, haalt hij beledigd zijn lolly uit de mond. Ik hoor hem niet, maar het is van zijn tandeloze mond af te lezen.

    “Jesus-Joseph-and-Mary!…”

  • December13th

    Chocoladekater

    Posted in: LIFE

    De vlucht van Houston naar New York zit bomvol. Mijn buurman snurkt en zijn arm hangt regelmatig over onze gedeelde leuning heen op mijn been. De vliegtuigfilm is pet en het ontbijt is een nieuw dieptepunt. Maar het deert niet, na zo’n mooie week. Tot ik het me realiseer. Uitkijkend over zonnig Brooklyn, Queens en de Bronx, cirkelend rond La Guardia Airport: ik heb het blik Argentijnse chocoladekoekjes in Houston laten staan.

    Een kilo Havana Alfajores, individueel verpakt en tezamen omsloten in een ouderwets aandoend blik, dat wat nostalgische schoonheid betreft kan wedijveren met het blikje van Droste. Vierentwintig joekels, gevuld met dikke klodders dulce de leche en omhuld met pure chocola. Pleitestein.

    Ik heb er over gelezen. Ik heb erover gefantaseerd. De hele week heb ik ze overal te koop zien staan. En iedere keer heb ik mezelf in bedwang weten te houden. Bedenkend dat het beter is om er niet aan te beginnen.

    Tot ik me er op het allerlaatste moment, in de taxfree winkel van het vliegveld, hulpeloos aan over heb gegeven. Als souvenirtje, leuk toch? Ze hoeven ook echt niet allemaal in een keer op. En grappig ook, zo’n blik.

    Niet dus.

    Terwijl we een zachte landing maken in New York dringt het barre feit langzaam tot me door. Elf uur na de wanhoopsaankoop, tijdens een stop over in Houston, heb ik het blik per ongeluk achtergelaten. Lichtelijk geradbraakt na een breakfast burrito en een flauwe kop koffie. Onder de formica tafel is het blijven staan; in de namaakdiner van het vliegveld, waar serveersters met roze glittergymschoentjes en naar fruitella riekende lipglos de dienst uitmaken. Op George Bush Intercontinental Airport, of all places.

    In de bagagehal van La Guardia wacht ik naast een moeder en dochter op mijn koffertje. De moeder, zo’n honderd kilo te zwaar, heeft op de voorkant van haar vest acht glitterende kerstballen geborduurd. Haar dochtertje, geheel in roze, vraagt met een net iets te schattig piepstemmetje: “Mommy, will we be fine?”
    Haar moeder streelt haar sproetengezichtje. “Ofcourse hon. It’s just New York City.”
    Het meisje kijkt peilend om zich heen. “Really mommy?”
    Moeder knikt geruststellend. “God is everywhere, my child.”
    Het meisje giechelt. “My Jesus, My Savior,” zingt ze en kamt de haren van haar Barbiepop.

    Ik moet er diep van zuchten. “En Houston mogen ze wat mij betreft ook opdoeken,” zeg ik kwaad, tegen niemand in het bijzonder. Dan glijdt op de bagageband mijn koffertje alweer voorbij.

    Het kan niet op vandaag.

  • December8th

    Verliefd (3)

    Posted in: LIFE

    De chique straten tussen de Avenida Las Heras en de Avenida Santa Fe, die Buenos Aires overdag op Parijs doen lijken, ogen ’s avonds laat een stuk minder elegant.

    De rolluiken zijn omlaag en de reclameverlichting is uit. Jongens en mannen komen met hun zelfgemaakte karren vanuit de sloppenwijken aangesjokt, de vuilniszakken van de rijken doorzoekend. De één verzamelt karton, de ander lege flessen. Sommige flessen zijn nog niet helemaal leeg en worden ter plekke leeggedronken.

    Met zijn arm tot aan zijn oksel in de vuilnis kijkt een jongen van amper 12 me peilend aan. Hij wil een paar dollars, zegt hij. Ik schud van nee. Dan voel ik iets nats in mijn knieholte en draai me verschrikt om. Een grote hond schiet net zo verschrikt bij me vandaan. Hij ziet er ziek uit. Broodmager en half kaal. Ik moet hier vandaan.

    Terwijl ik mijn pas versnel hoor ik achter me het gedribbel van de hond. Hij volgt me op de voet. Ik vertraag mijn pas. De hond ook. Ik sta stil. De hond ook. Ik draai me naar hem om. Terwijl hij me vragend aanstaart trekt hij z’n kop een beetje schuin. Al is het een engerd om te zien, zelfs al is het een broeihaard van ziektes, mijn hart smelt. Dat heb ik met honden. Het zijn de meest transparante wezens op aarde.

    ‘Vort!’ roep ik, tot mijn eigen schrik en de zijne. En ik stamp ook nog eens op de grond. De hond doet bangig een paar stapjes achteruit.

    Resoluut draai ik me van hem af en zet de pas er weer in. Onmiddellijk ook hoor ik het beest achter me aandribbelen. Ik schiet tussen twee geparkeerde auto’s door de straat over; de hond volgt op de voet. En nog voor ik de overkant bereik voel ik weer die natte neus tegen mijn onderbeen. Ik zet het op een rennen, maar de hond rent met me mee. Hij rent nu zelfs met me op en als we oogcontact maken begint hij vrolijk te huppelen.

    Dit kan dus echt helemaal niet.Ik sta stil en de hond drentelt kwispelstaartend om me heen. En ik ben net nog wel onder de douche geweest, bedenk ik me. Ik stink niet eens lekker naar afval, zoals alle anderen mannen in de straat. Wat moet dit beest van mij?

    ‘Hou op!’ roep ik zo kwaad mogelijk. Verderop blikken een paar mannen nieuwsgierig uit hun vuilniszakken op.

    De hond houdt op met kwispelen. Treurig blikt hij me aan. Zachtjes piept hij. Dan loop ik beslist verder. Met de hond op mijn hielen kom ik bij de drukke Avenida Santa Fe uit. Taxi’s en bussen razen er voorbij. Jongelui hangen in groepjes rond bij winkels en restaurants. Ik wacht tot het voetgangerslicht op groen springt. Dan draai ik me kwaad naar de hond om en bijt hem toe: ‘Sodemieter op!’

    Ontzet deinst de hond iets terug. Ik draai me om en steek snel de zesbaansweg over. Ik slik mijn eigen ontzetting weg. Het beest verstaat toch geen Nederlands, maak ik mezelf wijs. Als ik de overkant bereik trekt het verkeer op de avenue weer met veel geraas op. De hond is aan de overkant achtergebleven. Tussen de auto’s door kijk ik even schichtig zijn kant op. Hij blikt verloren terug. Dan draait hij zich van me af en drentelt de onverlichte straat weer in. Achter een jongeman en een kind aan, die tezamen een supermarktwagentje met afvalhout over het asfalt duwen.

  • December5th

    Verliefd (2)

    Posted in: LIFE

    Uit quasi cosmopolitische gewoonte reis ik altijd met minimale bagage.

    Wat gewoon dom is, want na een paar dagen Buenos Aires ben ik nu door al mijn sokken en onderbroeken heen, en verlang ik naar dat tweede paar comfortabele schoenen dat in New York in de gang is blijven staan.

    Vanochtend werd ik dan ook wakker met om me heen vijf kleerhangertjes waaraan nog half natte sokken en onderbroeken bungelden, vannacht in goedkope shampoo gewassen in de badkuip. En naast mijn bed die vervloekte Asics gympen.

    Maar toen ik de slaap uit mijn ogen had gewreven bleek dat niet alles. Uit de linker gymp stak een chocolade C, van het veel geprezen Albert Heijn huismerk Delicata. Melkchocolade, dat dan weer wel. Maar dat was omdat puur op was, zei mijn lief, klaarwakker en met een trotse smile op zijn prachtgezicht.

    Het leven is verrukkelijk.