Nieuw Amsterdammer
  • Archives
  • April28th

    Loos?

    Posted in: LIFE

    Het alarm klinkt oorverdovend schel. Terwijl de oven niet aanstaat en er nergens rook te zien is.

    Pas als ik voor de tweede keer de trap opren naar de slaapkamer ontdek ik dat het de koolmonoxidemelder is. Die is nooit eerder afgegaan. “Het is koolmonoxide!” roep ik naar beneden.

    Manlief komt naar boven gestommeld. “Zal de batterij wel bijna op zijn,” zegt hij.

    “Nope, dan flikkert het linker lampje. Maar het rechter lampje flikkert en daaronder staat: move to fresh air.” Ik draai de melder om. WARNING! staat er op de achterkant. “Carbon Monoxide cannot be seen or smelled, but can kill you…”

    “Shit,” mompelt mijn lief, “En ik heb over twee minuten een conference call…”

    “Call 911 or the fire departement,” lees ik verder.

    “Shit,” mompelt hij nog eens.

    “Ik bel 311, de gemeentelijke infolijn wel even,” zeg ik, de ramen openschuivend die ik twee minuten geleden net had dichtgedaan. Van buiten klinkt het gedril van een verbouwing. Voel ik me nou licht worden in mijn hoofd of verbeeld ik me dat?

    De mevrouw van 311 leest van haar scherm op dat het raadzaam is om 911 of de brandweer te bellen. “Maar als het nou een lege batterij is, dan komt dat hele circus van de brandweer voor niks?” vis ik onzeker. Daar wordt zij ook weer onzeker van. Dan klinkt opnieuw het schelle piepen van de melder. “Zet u de ramen open en belt u de brandweer voor advies,” besluit ze. Ik druk de melder weer uit en bel de brandweer. Maar daar zijn ze niet zo adviezerig. Ze willen mijn adres en komen eraan.

    “De brandweer komt!” roep ik naar beneden. De telefoon rinkelt. Da’s de conference call.

    Ver weg hoor ik seconden later een sirene. In New York hoor je om de haverklap sirenes, zo vaak dat je ze niet eens echt meer waarneemt, maar deze is dus voor ons. Langzaamaan wordt de sirene luider. Verschrokt realiseer ik me dat ik een broek aanmoet. Zoekend naar mijn riem ruim ik de kranten op. Ik leg het dekbed strak. Ik doe snel mijn schoenen aan en pak mijn portemonnee en mijn mobiel, voor het geval we moeten evacueren. Had ik me nou maar vast gedoucht en geschoren. Als ik langs het raam loop lijkt het even of ik een raar luchtje ruik. Zou het die verbouwing kunnen zijn? Dan klinkt de sirene door de straat. Seconden later gaat de bel. Terwijl ik op de buzzer druk stamelt mijn lief onhandig in de hoorn, een vinger in zijn andere oor gedrukt houdend. Er klinkt gestommel op de trap. Drie brandweermannen komen omhoog gebanjerd. Niet van die bronstige brandweermannen uit een uitklapkalender. Drie lompe, vadsige brandweermannen met chagrijnige hoofden.

    “De koolmonoxidemelder ging een paar keer af. Ik dacht eerst, misschien is het de batterij?…”

    “Waar is de melder,” bromt een van de drie. Ik wijs naar boven. Hij hangt zijn bijl aan de rand van de deur en stapt in zijn enorme geel-met-zwarte outfit het petieterige trapje op. Op de witte muur zit meteen een grijze streep, maar ik zeg niks. De andere twee blijven naast me staan. Met vlakke ogen kijken ze me aan.

    “Is het veilig?” vraag ik maar.

    Even betwijfel ik of ze me wel verstaan. Dan haalt eentje traag zijn schouders op. “Dunno.”

    Ik ga naar boven en zie de brandweerman met een metertje in de weer. “Deze meet helemaal niks,” zegt hij droogjes. Hij bekijkt de koolmonoxidemelder. “Koop voor de zekerheid maar een nieuwe batterij.” Hij smakt het ding op bed. “Have a good one.” Hij banjert de trap weer af en met zijn gordel trekt hij twee nieuwe zwarte strepen over de muur. Beneden haalt hij zijn bijl van de deur en zonder nog iets te zeggen verlaten de mannen het appartement.

    Manlief praat met vier mensen aan de telefoon, onderwijl vragende gebaren naar mij makend. Buiten zwelt de drilboor aan. Boven begint de melder weer te piepen.

  • April22nd

    Lente

    Posted in: LIFE

    Dit is mijn favoriete seizoen. In Nederland omdat de dagen langer worden en de stad weer groen kleurt.

    En New York vibreert in de lente van energie. Niet dat ikzelf overloop van energie. Ik ben doodop.

    Ik weet nog dat ik me voor het eerst bedacht dat de lente mijn favoriete tijd van het jaar was. Ik was zes en een erg stille jongen. De huisarts vreesde autisme.

    De dag dat ik besloot dat de lente mijn favoriete seizoen was stond ik op het schoolplein van de Sint Antoniuschool. Tussen het schoolplein en het kerkhof waren twee noodlokalen gebouwd van grote grijze platen hout. De zon had er al uren op geschenen toen ik er met mijn rug tegenaan ging staan. De warmte drong door mijn palmolino outfit in mijn huid. Ik kreeg er kippenvel van, zo heerlijk voelde het. Ik keek naar de meisjes uit mijn klas, die samen Annemaria-Koekoek speelden. Ik deed mijn ogen dicht. De zon scheen door mijn oogleden en kleine waterige vlekjes dansten voorbij. Annemaria-Koekkoek klonk het vrolijk in de verte.

    In Riverside Park klinkt verderop net zulk vrolijk gegiebel. Ik zit op een bankje, met mijn rug naar de Hudson. Met mijn ogen dicht voel ik de warme zon op mijn gezicht. Er zoemt iets, vlakbij. Als ik mijn ogen open zie ik een enorme hommel van bloesem naar bloesem gaan. Verderop loopt een jochie met zijn hond aan een riem. De hond dribbelt opgetogen naar de hondenren aan de andere kant van het veld. “Hello everyone!” roept het jongetje richting de hondenren. “Okay boys, Sammy is back!” Opgewonden krabbelt zijn hond met diens voorpoten tegen het houten hekwerk van de ren. Dan trekt zijn baasje met alle macht het hek een stukje open. Met riem en al glipt de hond luid blaffend de ren in. Twee poedels en een golden retriever heten hem welkom. Zijn baasje joelt uitgelaten naar zijn hond: “Sammy-sweetie-pie, say hello to the doggies!”

    Ik begin tot mijn eigen verbazing te huilen. Het zal de stress wel zijn. “We’re back!” schalt het jongetje over het hondenveld. De hond schiet als een dolle dwaas tussen de andere honden door. Zijn baasje schatert het uit.