Op aanstichting van Joost: de eerste van vijf eerder onbelichte zaken.

“Ik ga met je vechten en ik sla je helemaal in elkaar,” zei Wessel T. uitdagend.
Hij zat bij mij in de zesde klas van de lagere school. “Op de dijk bij jouw huis, vanmiddag om 4 uur. Ik neem al mijn vrienden mee.” Hij knikte er vastbesloten bij. “Oh,” kon ik er nog net uitkrijgen. “En als je niet op komt dagen bel ik je ouders en dan vertel ik ze dat je de grootste sukkel van de klas bent.” Dat klonk bijna nog bedreigender.
Na school rende ik zo snel ik kon naar huis. Stijf van de zenuwen gluurde ik vanachter de vitrage naar het dijkje. Voortdurend dacht ik dat ik jongenshoofden op zag duiken tussen het hoge gras. Ik verbeeldde me dat het er wel dertig waren. De rest van de middag staarde ik naar onze beige telefoon. Ik trok de telefoonstekker eruit, maar wist meteen dat ik het daarmee niet zou redden. Ik schroefde de kop van de hoorn en bestudeerde de gekleurde draadjes die onder het zwarte speakerschelpje zaten. Zonder er lang over na te denken trok ik de draadjes los en draaide de boel weer op zijn plaats.
Om half zeven ging voor het eerst de telefoon. Mijn vader nam op, maar hoorde niets. “Hallo?… Hallo?…” Hij hing op en zei: “Een grapjas zeker.” Maar een huisvriend met sensatiezucht dacht er anders over. “Da’s de geheime dienst die je afluistert,“ bezwoer hij mijn vader, en vervolgens zette de man een complottheorie uiteen rond een kennis van mijn vader die contacten zou hebben bij de IRA. “Die jongens kennen geen genade, Cor.” Mijn vader trok bleek weg. Hij keek naar mijn kleine zusje, mijn moeder en mij. “Oh God, nee,” zei hij met bevende stem. “Oh God, laat het niet waar zijn…”
Huilend viel ik die avond in slaap.
Het ergste voltrok zich de volgende middag. Mijn moeder fietste naar de Albert Heijn toen Wessel T. naast haar kwam rijden. “Je zoon is de grootste lafbek van de wereld!” riep hij. “En jij bent een hoer!” schreeuwde hij er achteraan. “Vuile hoer!” Mijn moeder viel van verbijstering bijna van haar fiets. Triomfantelijk fietste Wessel verder.
Zonder boodschappen kwam mijn moeder thuis en vertelde ons wat er gebeurd was. Ze barstte in huilen uit. “Wat denkt dat snotjoch wel!” jammerde ze ontdaan. “Ik ben helemaal geen hoer!” Troostend nam mijn vader haar in de armen. “Natuurlijk niet, mijn liefje.”
Ik stond erbij en deed er het zwijgen toe. Dat krijg je ervan, dacht ik, als je de grootste lafbek van de wereld bent.

NY Restaurants Guide