
Op mijn dertiende prijkten er zeven onvoldoendes op mijn herfstrapport.
Mijn ouders dat rapport overhandigen was geen optie, dus de dag voor de herfstvakantie ging ik met mijn kleine zusje naar de openbare bibliotheek, waar ik haar gezeten in het gangetje tussen de Winkler Prins en de Medische Encyclopedie mijn plan ontvouwde.
Ik vertelde haar over de Bosseblie, een bosje 14 kilometer verderop, middenin het akkerland. Daar zouden we een hut bouwen, en suikerbieten roosteren, en konijnen vangen. “Net als in Oorlogswinter,” zei ik, om het nog wat spannender te maken.
Mijn zusje reageerde niet zoals ik had gehoopt. Ze huilde dikke tranen en het snot liep in lange slierten uit haar neus. “Hoe kan dat nou?” vroeg ze met stokkende adem, “Zeven onvoldoendes?” Mijn zusje was een lief en wondermooi meisje, dat enkel achten en negens haalde, ontelbaar veel vriendinnen had, en prachtig piano speelde. Zeven onvoldoendes, waaronder een drie voor wiskunde – hoe leg je dat zo iemand uit?
Ik vertelde hoe pap en mam het allemaal anders zouden zien als we eerst een paar nachtjes gingen kamperen. Misschien dat ze zelfs wel bij ons in het boshuisje zouden komen wonen. Uiteindelijk kreeg ik haar om. Ze was net acht.
Bij de Prijsslag kochten we een pak chocomel en een doos negerzoenen, en door de herfstwind fietsten we naar de Bosseblie. We bouwden een hut van takken en rottende herfstbladeren en toen het donker werd aten we de laatste negerzoenen op.
Aan een dak voor de hut kwamen we niet toe. Het was een wolkeloze, ijskoude nacht. “Als de zon zo meteen weer opkomt krijgen we het vanzelf weer warm,” zei ik opgewekt. Mijn zusje sliep een lange tijd; ik zat ineengedoken tegen een boom, doodsbang van krakende takken en ritselende bladeren.
Het was nog lang niet licht toen mijn zusje huilend wakker werd. Ze schudde van de kou en wilde weg. Terwijl we naar het dichtstbijzijnde dorp fietsten probeerde ik haar moed in te spreken. Het was bijna morgen. Als we de hut eenmaal afhadden zou alles beter worden, probeerde ik nog een keer.
Op het dorpsplein stond een verlichte telefooncel. We hadden nog twee kwartjes. “Ik bel de tijd,” zei ik. “Misschien is het echt bijna morgen…” Mijn zusje keek me peilend aan. “Als het nog geen zeven uur is gaan we naar huis,” zei ze beslist. Ik belde de tijd. De stem zei: “Bij de volgende toon is het vier uur, negenenvijftig minuten en veertig seconden.” Ping. Ik hing op. “Hoe laat?” vroeg mijn zusje ongeduldig. “Zeven uur,” loog ik. Het volgende moment klonken de slagen van de kerkklok, vlakbij. Boing. Boing. Boing. Boing. Boing. Mijn zusje keek me ontsteld aan. Ze griste het laatste kwartje uit mijn hand en belde naar huis. Een vreemde man nam op en gaf de hoorn al snel aan mijn moeder. Mijn zusje huilde, uitgeput en van slag, terwijl ze uitlegde waar we waren. Ik stond er verdoofd naast.

NY Restaurants Guide