Nieuw Amsterdammer
  • LIFE
  • April28th

    36 Comments

    Loos?

    Posted in: LIFE

    Het alarm klinkt oorverdovend schel. Terwijl de oven niet aanstaat en er nergens rook te zien is.

    Pas als ik voor de tweede keer de trap opren naar de slaapkamer ontdek ik dat het de koolmonoxidemelder is. Die is nooit eerder afgegaan. “Het is koolmonoxide!” roep ik naar beneden.

    Manlief komt naar boven gestommeld. “Zal de batterij wel bijna op zijn,” zegt hij.

    “Nope, dan flikkert het linker lampje. Maar het rechter lampje flikkert en daaronder staat: move to fresh air.” Ik draai de melder om. WARNING! staat er op de achterkant. “Carbon Monoxide cannot be seen or smelled, but can kill you…”

    “Shit,” mompelt mijn lief, “En ik heb over twee minuten een conference call…”

    “Call 911 or the fire departement,” lees ik verder.

    “Shit,” mompelt hij nog eens.

    “Ik bel 311, de gemeentelijke infolijn wel even,” zeg ik, de ramen openschuivend die ik twee minuten geleden net had dichtgedaan. Van buiten klinkt het gedril van een verbouwing. Voel ik me nou licht worden in mijn hoofd of verbeeld ik me dat?

    De mevrouw van 311 leest van haar scherm op dat het raadzaam is om 911 of de brandweer te bellen. “Maar als het nou een lege batterij is, dan komt dat hele circus van de brandweer voor niks?” vis ik onzeker. Daar wordt zij ook weer onzeker van. Dan klinkt opnieuw het schelle piepen van de melder. “Zet u de ramen open en belt u de brandweer voor advies,” besluit ze. Ik druk de melder weer uit en bel de brandweer. Maar daar zijn ze niet zo adviezerig. Ze willen mijn adres en komen eraan.

    “De brandweer komt!” roep ik naar beneden. De telefoon rinkelt. Da’s de conference call.

    Ver weg hoor ik seconden later een sirene. In New York hoor je om de haverklap sirenes, zo vaak dat je ze niet eens echt meer waarneemt, maar deze is dus voor ons. Langzaamaan wordt de sirene luider. Verschrokt realiseer ik me dat ik een broek aanmoet. Zoekend naar mijn riem ruim ik de kranten op. Ik leg het dekbed strak. Ik doe snel mijn schoenen aan en pak mijn portemonnee en mijn mobiel, voor het geval we moeten evacueren. Had ik me nou maar vast gedoucht en geschoren. Als ik langs het raam loop lijkt het even of ik een raar luchtje ruik. Zou het die verbouwing kunnen zijn? Dan klinkt de sirene door de straat. Seconden later gaat de bel. Terwijl ik op de buzzer druk stamelt mijn lief onhandig in de hoorn, een vinger in zijn andere oor gedrukt houdend. Er klinkt gestommel op de trap. Drie brandweermannen komen omhoog gebanjerd. Niet van die bronstige brandweermannen uit een uitklapkalender. Drie lompe, vadsige brandweermannen met chagrijnige hoofden.

    “De koolmonoxidemelder ging een paar keer af. Ik dacht eerst, misschien is het de batterij?…”

    “Waar is de melder,” bromt een van de drie. Ik wijs naar boven. Hij hangt zijn bijl aan de rand van de deur en stapt in zijn enorme geel-met-zwarte outfit het petieterige trapje op. Op de witte muur zit meteen een grijze streep, maar ik zeg niks. De andere twee blijven naast me staan. Met vlakke ogen kijken ze me aan.

    “Is het veilig?” vraag ik maar.

    Even betwijfel ik of ze me wel verstaan. Dan haalt eentje traag zijn schouders op. “Dunno.”

    Ik ga naar boven en zie de brandweerman met een metertje in de weer. “Deze meet helemaal niks,” zegt hij droogjes. Hij bekijkt de koolmonoxidemelder. “Koop voor de zekerheid maar een nieuwe batterij.” Hij smakt het ding op bed. “Have a good one.” Hij banjert de trap weer af en met zijn gordel trekt hij twee nieuwe zwarte strepen over de muur. Beneden haalt hij zijn bijl van de deur en zonder nog iets te zeggen verlaten de mannen het appartement.

    Manlief praat met vier mensen aan de telefoon, onderwijl vragende gebaren naar mij makend. Buiten zwelt de drilboor aan. Boven begint de melder weer te piepen.

  • April22nd

    16 Comments

    Lente

    Posted in: LIFE

    Dit is mijn favoriete seizoen. In Nederland omdat de dagen langer worden en de stad weer groen kleurt.

    En New York vibreert in de lente van energie. Niet dat ikzelf overloop van energie. Ik ben doodop.

    Ik weet nog dat ik me voor het eerst bedacht dat de lente mijn favoriete tijd van het jaar was. Ik was zes en een erg stille jongen. De huisarts vreesde autisme.

    De dag dat ik besloot dat de lente mijn favoriete seizoen was stond ik op het schoolplein van de Sint Antoniuschool. Tussen het schoolplein en het kerkhof waren twee noodlokalen gebouwd van grote grijze platen hout. De zon had er al uren op geschenen toen ik er met mijn rug tegenaan ging staan. De warmte drong door mijn palmolino outfit in mijn huid. Ik kreeg er kippenvel van, zo heerlijk voelde het. Ik keek naar de meisjes uit mijn klas, die samen Annemaria-Koekoek speelden. Ik deed mijn ogen dicht. De zon scheen door mijn oogleden en kleine waterige vlekjes dansten voorbij. Annemaria-Koekkoek klonk het vrolijk in de verte.

    In Riverside Park klinkt verderop net zulk vrolijk gegiebel. Ik zit op een bankje, met mijn rug naar de Hudson. Met mijn ogen dicht voel ik de warme zon op mijn gezicht. Er zoemt iets, vlakbij. Als ik mijn ogen open zie ik een enorme hommel van bloesem naar bloesem gaan. Verderop loopt een jochie met zijn hond aan een riem. De hond dribbelt opgetogen naar de hondenren aan de andere kant van het veld. “Hello everyone!” roept het jongetje richting de hondenren. “Okay boys, Sammy is back!” Opgewonden krabbelt zijn hond met diens voorpoten tegen het houten hekwerk van de ren. Dan trekt zijn baasje met alle macht het hek een stukje open. Met riem en al glipt de hond luid blaffend de ren in. Twee poedels en een golden retriever heten hem welkom. Zijn baasje joelt uitgelaten naar zijn hond: “Sammy-sweetie-pie, say hello to the doggies!”

    Ik begin tot mijn eigen verbazing te huilen. Het zal de stress wel zijn. “We’re back!” schalt het jongetje over het hondenveld. De hond schiet als een dolle dwaas tussen de andere honden door. Zijn baasje schatert het uit.

  • March24th

    33 Comments

    Ik mis de Hema

    Posted in: LIFE

    De caissière van Macy’s Cellar, de culinaire kelderafdeling van het grootste warenhuis van de wereld, schudt beslist haar hoofd. “If it’s not there, we don’t have it, sir.”

    “En er is geen computer waarin u even kan checken of er misschien nog een exemplaar-”

    Met grote stelligheid schudt ze nog eens haar hoofd.

    “En ook niet een magazijn waar-”

    Haar hoofd draait nu in sneltreinvaart 180 graden heen en weer.

    Ik zucht. “Okay, ik check het zelf nog even.”

    Macy’s is een afgrijselijke winkel. Zo’n warenhuis waar alles te koop is, maar waar niets bijzonders is te vinden. Waar welgeteld één springvorm in de rekken ligt, in een zee van teflon muffinbakvormen, ijsscheppen en cutey patootie koekjessnijders. Eén springvorm, waarvan de bodem en de ring niet passen.

    Dan ontdek ik toch nog een andere verkoopster. Snel been ik op haar af en leg haar uit dat deze laatste springvorm niet goed past. “Klopt,” zegt ze, “het zijn twee verschillende springvormen, van twee verschillende merken.”

    “Kunt u mij aan een complete set helpen?”

    “Tuurlijk!” Het klinkt bijna te mooi om waar te zijn.

    “Van allebei de soorten eentje, zodat ik kan kiezen?”

    “Nee, alleen van dat merk heb ik er een.”

    “O. Die andere is op?”

    “Dat weet ik niet. Maar dat merk verkoop ik niet. Ik werk alleen voor dit merk. Een ogenblikje alstublieft, ik ben zo terug.”

    Verbijsterd staar ik haar na. “Ik werk alleen voor dit merk,” zeg ik haar na. Ik drentel wat rond door de kookafdeling. “Ik werk alleen voor dit merk,” stamel ik nog eens. “Ik werk alleen voor dit merk,” roep ik en sla zomaar een siliconen spatel van een schap. Dan komt ze alweer aangelopen, een complete springvorm in haar hand. “Alstublieft, anders nog iets?”

    Ik bekijk de springvorm. Hij is van teflon, wat helemaal niet handig is als je die appeltaart uiteindelijk in punten moet snijden. Op de bodem prijkt het prijsstickertje. $21.99. “U heeft het niet goedkoper?”

    Ze trekt haar wenkbrauwen op in een vriendelijk bedoelde ontsteldheid. “No-hooo! It’s a very special item, sir. Very European, you know.”

    Right. Met mijn veel te dure springvorm loop ik terug naar de caissière. Die begroet me op haar alleropgewektst. “Great, you found what you were looking for!” jubelt ze. En voor ze me het kassabonnetje overhandigt schrijft ze snel haar naam achterop. “My name is Lakisha. Please get online for feedback on our service. We love to hear from you!”

  • February26th

    48 Comments

    Bokkabootjas

    Posted in: LIFE

    Met een familieverpakking roomijs in een plastic zakje loop ik over Broadway terug naar huis. Het is halverwege de avond, en mijn vent ligt onderuit voor de TV naar de Oscaruitreiking te kijken.

    De Oscars zijn voor Amerikanen net zoiets als het Eurovisie Songfestival voor – okee, laat ik voor mezelf spreken – zoiets als het Eurovisie Songfestival voor mij. Je moet er mee opgegroeid zijn om het echt te kunnen waarderen, bedoel ik maar te zeggen.

    Ikzelf kom die ellenlange Oscarshow enkel door met een flinke portie chocoladeijs-met-stukjes-koek-en-kersen. Bovendien sneeuwt het en New York in de sneeuw overtreft Ellen DeGeneres in witte lakschoentjes met ruime afstand. Terwijl de sneeuwvlokken langs mijn wangen kietelen voel ik het geluk in me opzwellen. J’aime-j’aime la vie, schiet het door mijn hoofd.

    Dan schiet er een sneeuwbal rakelings langs mijn hoofd. Als ik me verschrikt omdraai grijnst mijn onderbuurman me baldadig toe. “Howdy neighbor,” roept hij. Mijn onderbuurman is operazanger. Godzijdank zitten er nog vier verdiepingen tussen ons in, want de man zingt de hele dag uit volle borst. Alleen als ik in de kelder mijn was doe hoor ik hem zijn stukken repeteren.

    We lopen samen verder. “Mag ik je wat vragen?” zegt hij onverwacht formeel.
    “Tuurlijk.”
    “Lieg jij wel eens?”
    “Pardon?”
    “Lieg je wel eens?” vraagt hij nog eens, “Een leugentje om bestwil, of een dikke vette leugen die je voor de rest van je leven achtervolgt?”
    Ik geloof dat hij een beetje aangeschoten is. “Niet of nauwelijks,” antwoord ik.
    Mijn buurman grinnikt. “Ik heb net tegen mijn vriendin gelogen dat ik haar al negen jaar trouw ben.”
    “O.”
    “Terwijl ik het sinds we samen zijn al met vierentwintig anderen heb gedaan.”
    “Vierentwintig?”
    Hij knikt. Zijn ogen fonkelen van trots. “Ik houd een lijst bij, dus ik weet het tot op de datum precies.”
    “Oh, zo.”
    “En jij?”
    “Ik?”
    “Ja, jij?”
    “Nee, ik houd geen lijst bij en ik ga ook niet vreemd.”
    “Nee, ik bedoel, waarover lieg jij?”
    Ik doe mijn best, maar kan me niets recentelijks voor de geest halen. “Toen ik twintig was zat ik op een dramaopleiding.”
    “En da’s gelogen?”
    “Nee, da’s waar. In de eerste week op school werd ons gevraagd om te laten zien waar we het beste in waren. Een meisje deed een acrobatiek-act. Iemand anders gaf een massage. Weer een ander danste de tango. En ik haalde een blik koekjes tevoorschijn. Bokkenpootjes.”
    Bokkabootjas?”
    “Zoiets. Ik vertelde er een verhaal bij. Over hoe ik ooit een zomer lang in de Verkadefabriek had gewerkt. Da’s een Nederlands koekjesmerk.”
    “Interesting.”
    “Ik heb er twee maanden lang aan de lopende band bokkenpootjes gemaakt. Geholpen bij het samenstellen van de ingrediënten, bij het bakken, de hele procedure van begin tot eind gevolgd. Van het verdiende geld heb ik een surfplank gekocht.”
    “Good for you!”
    “Een jaar later zocht ik weer een vakantiebaantje. Via het uitzendbureau kwam ik bij de Jaminfabriek terecht. Die maken ook koekjes.”
    “I see.”
    “Op de eerste dag vertelde ik in de kantine over mijn bokkenpotenverleden. Na de lunchpauze werd ik door de directie apart genomen. Ze wilden alles van me weten over de bokkenpootjes van Verkade. Over de receptuur, het cacaogehalte in het chocoladebad, alles. En terwijl ik schaamteloos alle geheimen van de Verkade bokkenpoot uit de doeken deed realiseerde ik me wat een kennis ik bezat. ’s Avond ben ik in mijn moeders keuken begonnen met experimenteren. En binnen een week presenteerde ik de perfecte bokkenpoot: knapperig van buiten, zacht van binnen, en puur natuur, zonder wat voor conserveringsmiddelen dan ook.”
    “You’re a true genius!” bast mijn buurman terwijl we de hoek omslaan. Onze voetstappen kraken in de sneeuw.
    “Dus toen ik mijn koekjesblik opende en het aan mijn nieuwe klasgenootjes van de dramaopleiding voorschoof zaten daar zowaar mijn zelfgebakken bokkenpoten in. Iedereen nam er een, bewonderde het baksel als was het een zeldzame edelsteen en proefde met verfijnde knibbelhapjes. Daarna volgden de lovende woorden, het verrukte gekreun, het ongeloof dat ik zulke perfecte koekjes wist te bakken. Een meisje gaf zelfs toe dat ze normaliter geen bokkenpootje door haar strot kreeg, maar deze vond ze ver-ruk-ke-lijk. Waarop ik de trommel weer dicht deed en hen de waarheid vertelde. Dat ik nooit bij Verkade had gewerkt. En ook nooit bij Jamin.”
    “Good lord!”
    “Die koekjes waren van de supermarkt en het enige waarin ik echt uitblonk was verhalen vertellen.”
    “You certainly do!” zegt mijn buurman terwijl hij de voordeur opent en we de sneeuw van onze schoenen stampen.
    “Maar de dramadocent dacht er anders over. Ze vond dat ik niet fantaseerde maar loog en ze maakte zich grote zorgen om de tevredenheid waarmee ik mijn leugen had opgebiecht.”
    “She sounds like my girlfriend!” schalt mijn buurman lachend door de hal. En dan op gedempte toon: “Denk je dat ik haar de waarheid moet vertellen?”
    Jesus, wat een confrontatie. Vertwijfeld staar ik naar het pak ijs in mijn plastic zak.
    Mijn buurman laat een luide boer. Dan legt hij zijn arm op mijn schouder. “Anyway. Your ice cream is melting, pal. Why don’t we call it a night.”

    Hij draait zich om en hobbelt naar zijn voordeur. De trap opklimmend hoor ik hem zachtjes zingen. Erbarme dich, mein Gott.

  • February18th

    22 Comments

    Zuur

    Posted in: LIFE

    De bleke man bij wie ik me meld heeft gouden stiksels en kwastjes op zijn kostuum. Hij zegt niets, maar trekt zijn dunne wenkbrauwen vragend omhoog.

    Ik noem haar naam en hoor een diepe ademteug door zijn neus naar binnen schieten. Dan neemt hij de hoorn ter hand en belt mevrouw op. Als ze geen gehoor geeft slikt hij even. “Ik probeer het over een minuutje nog eens,” stelt hij.
    Ik knik en drentel wat.
    Een paar seconden later neemt hij de hoorn alweer op en draait opnieuw haar nummer. Afwachtend staren zijn ogen over mijn schouder de marmeren hal in. Na een halve minuut hangt hij hoofdschuddend op. “Om hoe laat was uw afspraak?” vraagt hij.
    “Nu, om half elf.”
    Hij tuit zijn mond, ietwat gespannen.
    “Weet u wat,” zeg ik, “Ik woon hier niet zo ver vandaan. Ik bel haar zo meteen thuis wel even op.”
    De portier schudt beslist zijn hoofd. “O nee, geen sprake van! Ze zou het me nooit vergeven als ik u liet gaan. Ze is tijdens mijn pauze waarschijnlijk even iets gaan halen. Die is zo terug, dat weet ik zeker. Gaat u alstublieft even zitten.”

    Vijftien minuten later komt ze met een kartonnen koffiebeker de lobby ingelopen: een bejaarde vrouw op Zweedse klompjes. Ze neemt me keurend op en schudt met zichtbare achterdocht mijn hand.
    Als ik met haar meeloop naar de lift draait ze zich beslist om. “Oh no, are you kidding! Mijn appartement is een puinhoop! Ik neem u mee naar het restaurant hier om de hoek.” Ze stapt de lift in en slaat een paar keer ongeduldig op een knop. “Ik moet alleen even mijn haar fatsoeneren.” En nog net voor de lift weer helemaal dichtschuift: “Please, have a seat!”
    Ik ga zitten en wacht.
    De portier mijdt mijn blik zorgvuldig.

    In het restaurant walst ze de hostess voorbij en neemt plaats aan een grote tafel bij het raam.
    Een ober komt aangesneld en vraagt hoe we ons vandaag voelen.
    Ze luistert niet en roept: “Hoe weet ik dat nou, ik zit hier net!” Sissend gebaart ze dat hij moet vertrekken. Ze zet een bril op en bestudeert het menu. “Het tocht hier altijd, maar het eten is betaalbaar,” mompelt ze.

    Ik wil over de documentaire praten, maar eerst wil ze weten of ik getrouwd ben; of ik een green card heb; of ik er van kan leven, van die documentaires; of mijn ouders nog leven en of ik iets begrijp van moderne kunst.
    Antwoord geven hoeft niet echt, want ze vertelt over haar eigen huwelijk dat een fiasco is; haar man die een rat is en een dronkaard; zijn familie die haar altijd heeft verafschuwd; haar eigen kinderen die ze al 15 jaar niet heeft gesproken; de kunstwereld die alleen nog geïnteresseerd lijkt in hypes en niets van haar moet hebben; niemand die nog iets van haar moet hebben, eigenlijk. Ook die drie filmmakers niet waarmee ze eerder samenwerkte.

    Dan wordt het eten geserveerd. Ze werkt de pannenkoeken met bosvruchten naar binnen alsof haar leven ervan afhangt. Met een volle mond moppert ze dat het te zuur is.
    Ik bekijk haar roze gestifte lippen. Aan haar beide mondhoeken hangt wat bosvruchtenprut. En net als ik me realiseer dat dit het meest vreselijke wezen is dat ik in jaren heb ontmoet legt ze demonstratief haar bestek neer.
    “Zo,” zegt ze, “Let’s get to business.”