Nieuw Amsterdammer
  • NAAMLOOS
  • July27th

    4 Comments

    Join the Club

    Posted in: NAAMLOOS

    Al op de tweede verkenningstocht door mijn nieuwe buurt ontdek ik op de hoek van Union Street en 5th Avenue een New York Sports Club. Oh jee. Ik heb nog niet eens alle verhuisdozen uitgepakt. Ik heb zelfs nog geen reserve-set van mijn huissleutels bij laten maken. En ik heb na een week van intensief verhuizen zeker voor een maand aan calorieën verbrand. Dus waarom nu alweer lid worden van een nieuwe sportclub als het met goed fatsoen nog zeker drie, vier weken kan wachten?

    Ik doe een paar stappen achteruit. De sportschool zit op de eerste verdieping en ziet er zover ik dat van hieruit kan beoordelen spiffy uit. Ik herinner me Josie’s jubelverhalen over haar eigen NYSC filiaal aan de Upper West Side. Met verbazing zie ik mezelf op de ingang aflopen. Ik trek de deur open en stap in een oase van fris gekoelde lucht. Op de trap naar boven passeer ik een opgeruimd ogende jongeman die heerlijk naar Aveda shampoo ruikt. Bij iedere volgende tree omhoog voel ik de aantrekkingskracht van het gezonde, stralende fitness-Mekka sterker worden.

    Eenmaal boven aanbeland wordt de magie binnen een paar seconden teniet gedaan. De receptionist kan me niet vertellen wat de abonnementsprijzen zijn en roept onmiddellijk een sales-manager op. “Hi and welcome to the New York Sports Club,” begint die zalvend. Op mijn herhaalde vraag wat het allemaal kost wordt met een grote grijns gereageerd: “Let me first give you the tour.” Nouja, kijken kost niks, en zie: alles wat Josie me verteld heeft is waar. De cardio-machines hebben ieder hun eigen mediastation met muziek, spelletjes, internet en tv-kanalen, die je alle stompzinnigheid van rennen en klimmen zonder vooruit komen doen vergeten; de Express Line (“Onder deskundige begeleiding in 22 minuten een work-out voor alle spiergroepen!”) is state-of-the-art, de kleedkamer is ruimer dan mijn complete loft en de schone handdoeken liggen per kubieke meter opgestapeld te wachten voor gebruik. Genoeg om voor nu te geloven dat fitnessen best leuk kan zijn. De sales-manager nodigt me uit in een ronde zithoek met computer. Even voelt het alsof ik een vierwiels aangedreven auto ga kopen. Maar de $69 per maand valt me alleszins mee. Mijn ID en Amex kaart komen te voorschijn en met een webcam wordt mijn beeltenis ingevoerd. Ik teken daar, en daar, en daar, en daar, en een minuut later sta ik met mijn kopie van het jaarcontract weer in de broeierige hitte. Ik heb het gedaan. Mijn tijd als NYSC member gaat nu in.

    Twee blokken verder spoel ik onder een schaduwrijke eik het laatste stukje brownie weg met een Mint Mocha Chip Frappuccino, als mijn mobiele telefoon begint te vibreren. “Hi, this is Michael, your personal trainer at the New York Sports Club.” Mijn nieuwe lidmaatschap komt met een gratis fitness begeleider voor één uur. Wanneer zou ik met hem af willen spreken? Ik heb mijn agenda niet op zak en mijn hersenen malen: morgenavond heb ik een eetafspraak om half acht. Als ik een uurtje eerder afspreek kan ik met een gerust hart zeggen dat ik na veertig minuten weg moet. “Morgen om half zeven?” vraag ik. Met een uitgerekte uuuuuhm denkt Michael na. “Mag het ook om half zes?” Ach, waarom ook niet. “Oh, en Casper, please come untrained. Ik wil je hartslag meten voor we aan de slag gaan.” Trainen vooraf aan de training; het zou niet bij me opgekomen zijn.

    ’s Avonds trakteer ik mezelf als beloning voor deze dappere stap op een hele pint Godiva Chocolate Ice Cream with Dark Chocolate Hearts. Volgens de verpakking is dat 120 procent van de dagelijkse hoeveelheid vet bij een 2000 calorieën-dieet, maar met de geplande inspanning van morgenavond in gedachte val ik laat in de avond tevreden in slaap. Ik word met een schok wakker van mijn zoemende mobieltje. “Hi, it’s Michael.” Pardon? “It’s Michael, your personal trainer at the New York Sports Club. Het is kwart voor zes en ik vroeg me af of je nog onderweg was.” Verbijsterd schiet ik overeind. Droom ik dit of is het echt? Heb ik achttien uur doorgeslapen en voel ik me daarom zo beroerd? “Hello? Casper?” Ik graai naar de klokradio. Nee, het is kwart voor zes in de ochtend. Buiten hoor ik de vogels tjirpen. “Ik- Ik- Ik dacht dat we voor vanavond hadden afgesproken…” Ik verontschuldig me drie keer achter elkaar en Michael doet hetzelfde. Slaapdronken maak ik een nieuwe afspraak voor de komende zaterdag om vier uur. “In de middag,” stel ik voor de zekerheid. “Sure,” grinnikt Michael. “Now you go back to sleep,” zegt hij vaderlijk. Maar ik lig nog een uur lang wakker naar het plafond te staren; verbijsterd dat er mensen zijn die op dit tijdstip al zwetend met gewichten zeulen; schuldbewust omdat ik die aardige personal trainer in alle vroegte voor niks naar de sportschool heb laten komen. En misselijk van de 120 procent vet.

  • July23rd

    5 Comments

    Terwijl de geluidstechnicus de voice-overs die we zojuist hebben opgenomen overschrijft, flipt Susanne in snel tempo langs tientallen TV-kanalen. Dan schiet de thuiszorg-reclame voorbij. “Die bedoel ik!” roept ze, opgewonden naar het televisiescherm wijzend. “Die vrouw, nee, niet die bejaarde, wacht even, daar komt ze weer, dáár! Dat was ze! Zeg nou zelf, dat had ik toch minstens zo goed gedaan?” “Absoluut,” beaam ik. Susanne heeft een maand geleden een screentest gedaan voor deze reclame-rol van anderhalve seconde; we hebben er destijds samen een uur op geoefend. “Hoe oud denk je nou dat zij is?” vraagt ze, doelend op de actrice die het rolletje wel heeft gekregen. Ik maak een snelle afweging. “Jouw leeftijd,” antwoord ik diplomatiek.

    Susanne doet tussen de tien en twintig audities en screentests per maand. En dat al bijna twintig jaar. Tegen haar agent en tegen iedereen die ze tegenkomt op audities zegt ze al 10 jaar lang dat ze 33 is. Wat verder ook niet belangrijk is, want ze is een geweldige actrice. De helft van het jaar staat ze op de planken en ze speelt in mijn eigen korte filmpje, waarvoor we zonet de laatste geluidsopnames hebben gemaakt. “Toch maak ik me zorgen om die denkrimpel tijdens mijn close-up in het park,” zegt ze met een dramatische zucht. “Natuurlijk, ik weet het heus wel!” verbetert ze zichzelf streng, “Of ik hou op met denken, of ik botox die rimpel weg en acteer voortaan met een uitgestreken smoel.” Even staart ze me moedeloos aan. “Nee, he? Nee, natuurlijk niet. Met die rimpel zal ik het gewoon moeten doen.”

    Als Susanne en ik het pand verlaten zet ze de pas er flink in. “Met twintig minuten moet ik op Rockefeller Plaza staan, om te enquêteren voor een marketingbureau,” licht ze toe. “In deze benauwde hitte?” “Vierentwintig dollar per uur,” zegt ze, terwijl ze voor me uit de trap naar het metrostation van Grand Street afsnelt. “En dan vanavond eten bij mijn moeder op Staten Island, God, hoe heb ik het zo gepland!” Bij de toegangspoortjes naar het perron staan een paar politieagenten. We worden beiden gevraagd om onze tassen te openen voor een veiligheidsinspectie. Ik ben zo klaar, maar Susanne’s tas is volgestouwd alsof ze voor weken op pad gaat. Net als de 6th Avenue Express binnenrolt valt haar couponportemonnee op de grond. Een aantal van de uitgeknipte kortingsbonnetjes waait weg en terwijl ze wild in het rond graait en haar hoofd stoot aan de boeienhouder van de politieagent, begint achter haar een dame te jammeren: “Can someone get a hold of this desperate housewife?”

    Tussen Grand en Broadway-Lafayette checkt ze haar eyeliner in een minuscuul spiegeltje. “Niet vergeten om dit er aan het einde van de middag weer af te halen, want anders noemt mijn moeder me vanavond weer een ho. Lieve God, en dan moet ik morgen om half zes alweer op. Hond uitlaten, tekst leren voor de auditie van dat Mamet stuk en om acht uur present zijn bij Fahrer aan Wall Street.” “Ik dacht dat je was opgehouden met dat uitzendwerk als kantoorslaaf?” Ze schenkt me een laatdunkende frons en even is haar denkrimpel niet te vermijden. “Honey, als ik dit najaar een maandje mijn kansen wil benutten in LA, dan zal ik toch een financiële buffer op moeten bouwen. Anyway, in de lunchpauze heb ik die Mamet-auditie acht blokken verder, ’s avonds therapie met mijn man, en dan voor het slapen gaan tekst leren voor die Law and Order test. De volgende ochtend na de screentest een catering job aan de Upper East Side, ’s avonds serveren tijdens een bruiloft bij McKinsey en de volgende ochtend om 5 uur als background talent klaar staan op een set in New Jersey. Shit, Rock Center, ik ben er al.” Paniekerig graait ze al haar spullen bij elkaar en werkt zich tussen de andere metropassagiers door naar buiten. “Sweetie, zal je goed op jezelf passen, daar in Brooklyn?” roept ze me nog na, “En maak wat moois van ons filmpje!” Ze dribbelt het perron af, haalt haar rokje los uit haar bilnaad en zwaait me uit. De deuren schuiven dicht en de metro trekt weer op. Ik zie hoe ze zich door het uitgangspoortje wrikt, tegen alweer een inspecterende politieagent op botst en dramatisch met haar armen in de lucht zwaait. Dan suis ik door de donkere tunnel.

  • July15th

    7 Comments

    Stinkert

    Posted in: NAAMLOOS

    Ik ben in alle staten. Niet eens omdat ik morgen verhuis van Hell’s Kitchen naar Park Slope en ik met twintig dozen en een lading meubels vijf trappen af en twee trappen op moet. Niet eens omdat het regelen van breedband internet in de grootste stad van de VS lastiger lijkt dan in willekeurig welk derde wereld land. Nee, ik ben in alle staten omdat ik stink. Ik stink naar het zweet van een ander.

    Het is een waar, maar nogal ongeloofwaardig verhaal, en ik probeer het de Vietnamese eigenaar van de wasserette zo helder mogelijk uit te leggen: “Ik heb mijn witte wasgoed twee dagen geleden gewassen en gedroogd in uw machines. En toen ik thuis kwam en de waszak leegschudde boven mijn bed walmde de lucht me onmiddellijk tegemoet. Het moet bij een eerdere wasbeurt in een van de machines zijn blijven hangen.”

    De Vietnamees kijkt me aan alsof ik zijn tijd verdoe met lariekoek. Het is een graad of dertig in de wasserette, de zaak staat vol met jakkerend volk en de arme man loopt vijf karren vol drop off wasgoed achter met vouwen. “You smell nice!” zegt hij op een toon die het midden houdt tussen een compliment en een commando. “Nee, ik stink! Het ene moment kom ik nog schoon onder de douche vandaan. Het volgende moment droog ik me af met een van deze besmette handdoeken en begin ik weer te stinken. Al mijn handdoeken bezorgen me die lucht en ik wil dat u er voor zorgt dat ze weer schoon worden.” “If your laundry stink, you wash laundry!” zegt de man terwijl hij over mijn schouder een groepje ruziënde daklozen in de gaten houdt. Zijn wasserette is een uitvalsbasis voor de ontheemden die rondhangen bij de westelijke uitgang van Port Authority. “Luister,” stel ik ongeduldig, “Iemand die zichzelf maanden niet heeft gewassen en al die tijd dezelfde kleren droeg, heeft hier voor mij in dezelfde machine zijn smerige was gedraaid. Daarom stinkt mijn wasgoed. En daarom stink ik!” Hij schaterlacht, kort en hoog, als een hinnikend paard. “Really?” vraagt hij spottend. “Really,” antwoord ik beslist. Even overweeg ik om nog verder in detail te treden en hem te vertellen hoe de eerste zure zweetlucht zich al na pakweg drie kwartier ontwikkelt en binnen een paar uur uitdijt tot een alles verzengende stank die als een dikke wolk om me heen blijft hangen. Maar het is niet nodig. Hij haalt de handdoek opnieuw uit mijn meegebrachte waszak, gebaart me even te wachten en loopt er mee naar zijn vrouw achterin de zaak.

    Ik neem plaats op de verhoging waarachter de triple loader wasmachines staan opgesteld. Vlakbij staart een morsige man in een te krap trainingspak dromerig naar zijn ronddwarreldende was in de droogtrommel. Pal ernaast vouwen twee moeders bedreven door terwijl ze schreeuwen naar hun wild rondrennende koters. Die kraaien minstens zo luidruchtig terug terwijl ze het groepje verwarde daklozen omcirkelen. Die bedreigen elkaar nu in advocatentaal om een halve beker roomijs. Ik zet mijn koptelefoontje op mijn hoofd en sluit mijn ogen. Jill Sobule zingt op haar aller zoetst: “I live like a freshman. I still have a roommate. I even moved to Brooklyn…” Morgen verhuis ik zelf naar Brooklyn. In mijn lijstje van ellendige voorvallen, waarin Verhuizen enkel voorbij wordt gestreefd door Sterfgevallen, komt Stinken deze week met stip binnen op drie. Maar het feit dat ik mijn pijpenla tussen het benzinestation en de ingang van de Lincolntunnel verlaat en Jill Sobule achterna reis, stemt me temidden van alle misère eigenlijk heel tevreden.

    Als ik mijn ogen weer open staat de Vietnamees nog steeds achterin de zaak te discussiëren met zijn vrouw. Om de beurt besnuffelen ze mijn handdoek. De vrouw trekt een vies gezicht. Als haar man onverschillig zijn schouders ophaalt wijst ze driftig naar haar hoofd.

    Dichterbij drinkt een dakloze uit een literfles, verpakt in een papieren zak. Hij heeft in zijn broek geplast, maar het lijkt hem niet te deren. Zijn opgefokte vriendin morrelt aan een machine die nog lang niet klaar is met centrifugeren.

    De Vietnamees komt aangelopen. Ik haal de koptelefoon van mijn hoofd. “Okay. We take care of wash. Just this once. You wait.” Terwijl hij mijn witte was in een machine stopt komt er een meisje tegenover me zitten. Ze bladert door een studieboek. Ik zie hoe haar geconcentreerde ogen de regels afzoeken. Hoe haar neusvleugels even bewegen. Ze blikt op uit haar boek. Ze inhaleert diep. Haar ogen tasten de zaak af: langs het dakloze stel verderop; langs de man in het trainingspak; dan naar mij. Een moment kruisen onze blikken. Dan kijkt ze snel weg. Nog even zie ik haar snuffen. Dan trekt ze haar conclusie, staat op en zoekt naar een andere plek. Ik ben het.

  • July9th

    3 Comments

    Verwarring

    Posted in: NAAMLOOS

    Naast mij zit een magere man in zijn korte broek bovenop een opgevouwen, smerig dekbed. Zenuwachtig schudden zijn broodmagere benen op en neer. Zijn vlassige haar en baard zijn al jaren niet geknipt. Als een wildeman eet hij schrokkend van zijn dik belegde broodje, terwijl zijn ogen onrustig langs de passagiers in het treinstel schieten.

    Tegenover ons zitten twee meiden van begin twintig. Een van hen vouwt een plattegrondje van Manhattan open. Tezamen proberen ze te achterhalen waar deze metro hen heen voert. “Mevrouw, stopt de E ook bij Rockefeller Center?” vraagt een van de meiden aan een vrouw met een klein meisje op haar schoot. De vrouw schudt haar hoofd. “Maar als u op 53rd Street uitstapt is het via Fifth Avenue nog maar drie blokken lopen.”

    De man naast mij eet jachtig door terwijl hij de vrouw met het meisje bestudeert. Ze drukt haar dochtertje dichter tegen zich aan en neuriet zachtjes. Het kind zal een jaar of drie zijn. Ze slaapt diep.

    Dan schieten de ogen van de man weer naar de twee meiden tegenover hem. Zonder veel succes zoeken ze op het kaartje naar het metrostation van 53rd Street. “Het is nog vier stops,” roept de man met een volle mond. “Eerst Port Authority, dan 50th Street, dan Seventh Avenue en dan 53rd Street.” De meiden reageren niet. In plaats daarvan buigen ze zich nog iets dieper over het kaartje heen. “Je kan er ook uit op 50th Street. Dan stap je over op de downtown B of D lijn,” vervolgt de man. “Die stoppen allebei direct onder Rockefeller Center, dus dan hoef je die drie blokken niet te lopen. Maar of het je veel tijd scheelt is nog maar de vraag.”

    De meiden ontwijken zijn dwingende blik. Een van hen richt zich weer tot de moeder met het slapende meisje. “53rd Street zei u?” De vrouw knikt. “Hallo-Hallo!” roept de man. “Contact! Kunt u mij horen!” De twee meiden, de moeder en de meeste andere mensen in het treinstel kijken lauw voor zich uit. “Nee, natuurlijk praat u niet met mij, want ik ben dakloos en daklozen hebben geen recht van bestaan!” snauwt de man en hij smijt zijn laatste stuk brood nijdig door het treinstel. “Daklozen negeer je ten alle tijden! Terwijl ik verdomme in de subway woon en ik hier op iedere halte zo’n beetje elke wandtegel ken!” De twee meiden verkrampen. De moeder kust zachtjes het hoofdje van haar slapende dochtertje. Verderop verdwijnt iemand achter een opengeslagen krant. Een zwaar opgemaakte tiener rolt met haar ogen.

    De man balt zijn smerige handen tot vuisten. “Nine eleven!” buldert hij, “Nine eleven was onze eigen schuld! Het was de straf van God! God zat die ochtend in de cockpits van al die vliegtuigen. Hij wilde ons een lesje leren! Maar niemand die naar hem heeft geluisterd! En niemand die naar mijn woorden luistert. Jij niet en jij niet en jij ook niet! Niemand!” De metro remt af bij Port Authority aan 42nd Street. “Jullie negeren God, net zoals jullie mij negeren: een dwaas zonder onderkomen, wiens woorden niets waard zijn!” Als de deuren openschuiven opent het kleine meisje verschrikt haar ogen. Haar moeder zet haar voorzichtig op de grond en komt overeind. Achter de stroom uitstappende passagiers schuifelt ze met haar dochtertje aan de hand langs de man. Dan wijst het slaapdronken meisje met een wurmend vingertje in zijn magere, bebaarde gezicht: “Jezus!” roept ze opgetogen naar haar moeder. De man ziet haar verwonderd aan. Hij verstopt zijn gebalde vuisten in het dekbed onder zijn benen. Iemand grinnikt maar slaat onmiddellijk een hand voor de mond. De moeder ziet haar dochtertje even dwingend aan. “Niet wijzen, sweetie,” zegt ze en dirigeert haar met een kort rukje het treinstel uit. De verbouwereerde man ziet het kleine meisje over het perron verdwijnen. De deuren schuiven weer dicht. De trein trekt op. Hij staart naar de lege plek waar vandaan ze hem zojuist aanwees. Ik zit nog vier haltes naast hem. Hij zegt niets meer.

  • July3rd

    3 Comments

    Pride

    Posted in: NAAMLOOS

    De Pride stoet trekt voorbij over Christopher Street. Het is een beetje zoals de bootjesoptocht tijdens Gay Pride in Amsterdam: ieder jaar meer van hetzelfde. Het grote verschil is de eindeloze reeks subgroepjes die zich hier onderscheiden: de homopolitiemannen en vrouwen van New York, de associatie van homo-rechters, de Amerikaanse Veteranen voor Gelijke Rechten, Moeders tegen Aids, holebi Armeniërs: voor ieder zijn of haar eigen clubje.

    Vanachter de dranghekken aan beide kanten van de straat wordt elke nieuwe club uitbundig toegejuicht. Het voelt me net iets te veel alsof iedereen voor zichzelf staat te klappen. Bovendien is het heet en benauwd, dus zoek ik met mijn fles Vitamin Water in een portiekje de schaduw op. Daar komt ze naast me zitten, blikt even naar de fles en schudt afkeurend haar hoofd. “Mierzoet kinderdrankje,” stelt ze beslist. “Maar het is roze en zorgt dat ik niet flauw val,” breng ik er schouderophalend tegenin. Ze joelt en klapt naar de voorbijtrekkende Butch/Femme Society. Dan kijkt ze me peilend aan. Ze knikt, als om zichzelf ervan te overtuigen dat het goed is en zegt: “Ik heb twee weken geleden een vrouw ontmoet. Vanaf de eerste blik in haar ogen was ik betoverd. Ze is getrouwd met mijn broer. Niet uit liefde, hoor, want ze is lesbisch. ’t Is vanwege een greencard. Ze komt uit Canada en alleen hetero relaties hebben hier een legale waarde. Vorige week zijn we samen iets gaan eten en aan het einde van de avond hebben we op haar platdak gezoend. En de hele volgende week liep ik op wolken. En niet nerveus, zoals voorheen als ik de vlinders in mijn buik voelde en totaal niet wist hoe het nu verder moest. Ze had gezegd dat ik haar maar uit moest vragen voor een date, en dus heb ik haar sindsdien iedere dag gebeld. Maar ze nam nooit op. Dus liet ik de ene na de andere boodschap achter. Dat we samen konden gaan bowlen, of picknicken in Central Park. Of kanovaren op de Hudson, of samen Pride vieren.”

    Lavender Light, the Black and People of All Colors Lesbian and Gay Gospel Choir, trekt voorbij. Alle blijdschap trekt uit haar ronde gezichtje. Haar kin begint zachtjes te trillen. “Pas gisterenavond, toen ik thuis kwam van mijn werk, stond ze op mijn voice mail. Op een toon, zo afstandelijk, dat ik haar stem eerst niet herkende. Ze zei dat ze te druk was en dat het misschien beter was om die date maar uit te stellen.” Langzaam breekt ze uit in een stille huilbui. Ze slaat haar handen voor haar gezicht. Ik sla troostend een arm om haar heen. Snotterend praat ze tussen haar vingers door: “Ik wist zo zeker dat het deze keer anders zou gaan. Dat we een hemelse zomer zouden gaan beleven. Dat ze dus wel bestond, mijn soul mate.”

    Haar rode ogen komen te voorschijn. “Ben ik te naïef geweest? Heb ik haar afgeschrikt? Misschien heb ik mezelf te snel en teveel aan haar overgegeven. Ik had haar nooit zo vaak moeten bellen. Ik had wat meer New Yorkse coolness op moeten brengen. Wat ook onzinnig klinkt. Als iemand zich moet schamen is zij het tenslotte, omdat ze me dumpt via een voice mail berichtje.” Even staart ze in gedachten voor zich uit. Ze kijkt naar mijn fles roze Vitamin Water. “Mag ik?” Ze neemt een paar flinke slokken van het verfoeide water en vraagt me hoe ik heet. Ze stelt zich voor als Missy. “Bedankt,” zegt ze en geeft me een snotterige kus op mijn wang. Er komt een praalwagen voorbij waarop een tiental travestieten theatraal staat te playbacken. Ze staat op en werkt zich tussen de toeschouwers bij de dranghekken. “You go, girls!” roept ze uit volle borst en begint uitbundig te klappen. Hopelijk ook een beetje voor zichzelf.