
De bleke man bij wie ik me meld heeft gouden stiksels en kwastjes op zijn kostuum. Hij zegt niets, maar trekt zijn dunne wenkbrauwen vragend omhoog.
Ik noem haar naam en hoor een diepe ademteug door zijn neus naar binnen schieten. Dan neemt hij de hoorn ter hand en belt mevrouw op. Als ze geen gehoor geeft slikt hij even. “Ik probeer het over een minuutje nog eens,” stelt hij.
Ik knik en drentel wat.
Een paar seconden later neemt hij de hoorn alweer op en draait opnieuw haar nummer. Afwachtend staren zijn ogen over mijn schouder de marmeren hal in. Na een halve minuut hangt hij hoofdschuddend op. “Om hoe laat was uw afspraak?” vraagt hij.
“Nu, om half elf.”
Hij tuit zijn mond, ietwat gespannen.
“Weet u wat,” zeg ik, “Ik woon hier niet zo ver vandaan. Ik bel haar zo meteen thuis wel even op.”
De portier schudt beslist zijn hoofd. “O nee, geen sprake van! Ze zou het me nooit vergeven als ik u liet gaan. Ze is tijdens mijn pauze waarschijnlijk even iets gaan halen. Die is zo terug, dat weet ik zeker. Gaat u alstublieft even zitten.”
Vijftien minuten later komt ze met een kartonnen koffiebeker de lobby ingelopen: een bejaarde vrouw op Zweedse klompjes. Ze neemt me keurend op en schudt met zichtbare achterdocht mijn hand.
Als ik met haar meeloop naar de lift draait ze zich beslist om. “Oh no, are you kidding! Mijn appartement is een puinhoop! Ik neem u mee naar het restaurant hier om de hoek.” Ze stapt de lift in en slaat een paar keer ongeduldig op een knop. “Ik moet alleen even mijn haar fatsoeneren.” En nog net voor de lift weer helemaal dichtschuift: “Please, have a seat!”
Ik ga zitten en wacht.
De portier mijdt mijn blik zorgvuldig.
In het restaurant walst ze de hostess voorbij en neemt plaats aan een grote tafel bij het raam.
Een ober komt aangesneld en vraagt hoe we ons vandaag voelen.
Ze luistert niet en roept: “Hoe weet ik dat nou, ik zit hier net!” Sissend gebaart ze dat hij moet vertrekken. Ze zet een bril op en bestudeert het menu. “Het tocht hier altijd, maar het eten is betaalbaar,” mompelt ze.
Ik wil over de documentaire praten, maar eerst wil ze weten of ik getrouwd ben; of ik een green card heb; of ik er van kan leven, van die documentaires; of mijn ouders nog leven en of ik iets begrijp van moderne kunst.
Antwoord geven hoeft niet echt, want ze vertelt over haar eigen huwelijk dat een fiasco is; haar man die een rat is en een dronkaard; zijn familie die haar altijd heeft verafschuwd; haar eigen kinderen die ze al 15 jaar niet heeft gesproken; de kunstwereld die alleen nog geïnteresseerd lijkt in hypes en niets van haar moet hebben; niemand die nog iets van haar moet hebben, eigenlijk. Ook die drie filmmakers niet waarmee ze eerder samenwerkte.
Dan wordt het eten geserveerd. Ze werkt de pannenkoeken met bosvruchten naar binnen alsof haar leven ervan afhangt. Met een volle mond moppert ze dat het te zuur is.
Ik bekijk haar roze gestifte lippen. Aan haar beide mondhoeken hangt wat bosvruchtenprut. En net als ik me realiseer dat dit het meest vreselijke wezen is dat ik in jaren heb ontmoet legt ze demonstratief haar bestek neer.
“Zo,” zegt ze, “Let’s get to business.”

NY Restaurants Guide