
Toen het tot me doordrong dat we in het afvoerputje van Manhattan gingen wonen, was er meteen ook dat ene lichtpuntje. Om de hoek van onze toekomstige 500 square feet zat Manganaro’s: een rommelige pijpenla aan Ninth Avenue, waar al meer dan 100 jaar lang Italiaanse vleeswaren, pasta’s en olijfoliën werden verkocht, maar waar je ook aan kon schuiven voor een zompig maar smaakvol broodje Chicken Parmigiano, voor een knisperende, met slagroom gevulde en met chocolade overgoten cannoli, voor een straffe espresso en voor de meest theatrale bediening in de wijde omtrek. Dat gevoel voor drama begon al met een geëtaleerde familievete aan de voorgevel. Een bordje waarschuwde daar dat Manganaro’s geen enkele affiliatie had met de buurman met bijna dezelfde naam: Manganaro’s HeroBoy. De twee al decennia rivaliserende broers bevochten elkaar om het recht op de naam Manganaro en om de uitvinding van de 6-foot hero sandwich. Ikzelf moest nooit veel hebben van de door kale tegelwanden en formica counters gedomineerde broodjeszaak pal naast mijn Manganaro’s. Ik ging voor de ouderwetse mom ’n pop store, met zijn rommelige uitstallingen en zijn melancholische hang naar moederland Italië. Manganaro’s was het soort zaak dat de laatste jaren in Manhattan als sneeuw voor de zon verdween. Een zaak die alle lokale steun verdiende. Tot vandaag.
Vandaag kopen we er twee slagroom cannoli’s to go en een doos koekjes voor de picknick bij mijn schoonfamilie. Mijn lief vraagt of hij kan betalen met een credit card. De oude meneer Manganaro kijkt hem ontzet aan. “Je wil een doos koekjes betalen met plastic?…” Binnensmonds vloekend pakt hij een voorgevouwen doos en graait bukkend voor de vitrine een selectie koekjes bijeen. Een van zijn vijf dochters verschijnt achter de toonbank en schenkt ons een taaie glimlach. “Hi guys.” Met haar handen in haar zij richt ze zich naar de oude man. “Pap, wat wilde die vrouw daarnet van jou?” Langzaam recht Manganaro zijn rug. “Ze wil dat we adverteren in haar krant.” Een harde, vreugdeloze lach klinkt uit haar wijd opengesperde mond. “En jij hebt natuurlijk meteen ja gezegd?” “Het was een goeie deal en tegen een goeie deal zeg ik geen nee.” “Oh get a life! Dat krantje van haar wordt door niemand gelezen!” Ze draait haar flinke lijf even onze kant op voor een gefluisterd “Sorry, guys,”. Waarop ze zich weer op haar vader stort: “Ziek wordt ik van jouw eigenwijze gehandel! Nooit overleg je iets met mij en nooit levert het wat op!” Terwijl Manganaro de volle doos op de toonbank smakt en er met een busje poedersuiker over heen schudt zegt hij kalm: “Shut up en pak voor die twee jongens twee cannoli’s in.” “Weet je zeker dat de room nog vers is?” Nu verliest hij zijn geduld. “NATUURLIJK IS DE ROOM VERS!”
De niet al te grote doos koekjes kost 18 dollar (bij de deli om de hoek kun je zelfs een enkel pak melk betalen met een credit card) en de room in de cannoli’s blijkt ver over zijn houdbaarheidsdatum heen. Maar de echte teleurstelling voltrekt zich op het picknickkleed. Een aantal van de keurig bepoederde koekjes blijkt eenmaal omgedraaid volkomen verkoold. Kom daar maar mee aan bij je schoonfamilie. Dan pas dringt het tot me door hoe uitgestorven en stoffig het bij Manganaro’s was geweest. Hoe dezelfde voorverpakte fabriekspasta bij iedere super voor de helft van het geld te krijgen was. Het treurige einde van een ooit zo mooie historie, denk ik nog.
Maar een zwager die ooit een appartement huurde van die andere Manganaro-broer, weet wel beter. “Die twee Manganaro’s bezitten bij elkaar zo’n beetje het hele blok aan huizen. En al is het in de zaak van die ouwe aan Ninth al jaren stil, hun catering floreert als nooit te voren. Ze zitten op een goudmijn.”
Genoeg gezegd over de verdrukte kleine man. Mijn klandizie zal niet worden gemist.

NY Restaurants Guide