Nieuw Amsterdammer
  • verhalen uit de jungle van new york
  • February18th

    Zuur

    Gepost in: LIFE

    De bleke man bij wie ik me meld heeft gouden stiksels en kwastjes op zijn kostuum. Hij zegt niets, maar trekt zijn dunne wenkbrauwen vragend omhoog.

    Ik noem haar naam en hoor een diepe ademteug door zijn neus naar binnen schieten. Dan neemt hij de hoorn ter hand en belt mevrouw op. Als ze geen gehoor geeft slikt hij even. “Ik probeer het over een minuutje nog eens,” stelt hij.
    Ik knik en drentel wat.
    Een paar seconden later neemt hij de hoorn alweer op en draait opnieuw haar nummer. Afwachtend staren zijn ogen over mijn schouder de marmeren hal in. Na een halve minuut hangt hij hoofdschuddend op. “Om hoe laat was uw afspraak?” vraagt hij.
    “Nu, om half elf.”
    Hij tuit zijn mond, ietwat gespannen.
    “Weet u wat,” zeg ik, “Ik woon hier niet zo ver vandaan. Ik bel haar zo meteen thuis wel even op.”
    De portier schudt beslist zijn hoofd. “O nee, geen sprake van! Ze zou het me nooit vergeven als ik u liet gaan. Ze is tijdens mijn pauze waarschijnlijk even iets gaan halen. Die is zo terug, dat weet ik zeker. Gaat u alstublieft even zitten.”

    Vijftien minuten later komt ze met een kartonnen koffiebeker de lobby ingelopen: een bejaarde vrouw op Zweedse klompjes. Ze neemt me keurend op en schudt met zichtbare achterdocht mijn hand.
    Als ik met haar meeloop naar de lift draait ze zich beslist om. “Oh no, are you kidding! Mijn appartement is een puinhoop! Ik neem u mee naar het restaurant hier om de hoek.” Ze stapt de lift in en slaat een paar keer ongeduldig op een knop. “Ik moet alleen even mijn haar fatsoeneren.” En nog net voor de lift weer helemaal dichtschuift: “Please, have a seat!”
    Ik ga zitten en wacht.
    De portier mijdt mijn blik zorgvuldig.

    In het restaurant walst ze de hostess voorbij en neemt plaats aan een grote tafel bij het raam.
    Een ober komt aangesneld en vraagt hoe we ons vandaag voelen.
    Ze luistert niet en roept: “Hoe weet ik dat nou, ik zit hier net!” Sissend gebaart ze dat hij moet vertrekken. Ze zet een bril op en bestudeert het menu. “Het tocht hier altijd, maar het eten is betaalbaar,” mompelt ze.

    Ik wil over de documentaire praten, maar eerst wil ze weten of ik getrouwd ben; of ik een green card heb; of ik er van kan leven, van die documentaires; of mijn ouders nog leven en of ik iets begrijp van moderne kunst.
    Antwoord geven hoeft niet echt, want ze vertelt over haar eigen huwelijk dat een fiasco is; haar man die een rat is en een dronkaard; zijn familie die haar altijd heeft verafschuwd; haar eigen kinderen die ze al 15 jaar niet heeft gesproken; de kunstwereld die alleen nog geïnteresseerd lijkt in hypes en niets van haar moet hebben; niemand die nog iets van haar moet hebben, eigenlijk. Ook die drie filmmakers niet waarmee ze eerder samenwerkte.

    Dan wordt het eten geserveerd. Ze werkt de pannenkoeken met bosvruchten naar binnen alsof haar leven ervan afhangt. Met een volle mond moppert ze dat het te zuur is.
    Ik bekijk haar roze gestifte lippen. Aan haar beide mondhoeken hangt wat bosvruchtenprut. En net als ik me realiseer dat dit het meest vreselijke wezen is dat ik in jaren heb ontmoet legt ze demonstratief haar bestek neer.
    “Zo,” zegt ze, “Let’s get to business.”

    Zegt het voort:
    • Print
    • email
    • Facebook
    • Hyves
    • Yahoo! Buzz
    • Digg
    • del.icio.us
    • Google Bookmarks
    • Twitter
    • Tumblr
    • StumbleUpon
    • Propeller
  • February13th

    Bekentenis (5/5)

    Gepost in: LIFE

    Op mijn dertiende prijkten er zeven onvoldoendes op mijn herfstrapport.

    Mijn ouders dat rapport overhandigen was geen optie, dus de dag voor de herfstvakantie ging ik met mijn kleine zusje naar de openbare bibliotheek, waar ik haar gezeten in het gangetje tussen de Winkler Prins en de Medische Encyclopedie mijn plan ontvouwde.

    Ik vertelde haar over de Bosseblie, een bosje 14 kilometer verderop, middenin het akkerland. Daar zouden we een hut bouwen, en suikerbieten roosteren, en konijnen vangen. “Net als in Oorlogswinter,” zei ik, om het nog wat spannender te maken.

    Mijn zusje reageerde niet zoals ik had gehoopt. Ze huilde dikke tranen en het snot liep in lange slierten uit haar neus. “Hoe kan dat nou?” vroeg ze met stokkende adem, “Zeven onvoldoendes?” Mijn zusje was een lief en wondermooi meisje, dat enkel achten en negens haalde, ontelbaar veel vriendinnen had, en prachtig piano speelde. Zeven onvoldoendes, waaronder een drie voor wiskunde – hoe leg je dat zo iemand uit?

    Ik vertelde hoe pap en mam het allemaal anders zouden zien als we eerst een paar nachtjes gingen kamperen. Misschien dat ze zelfs wel bij ons in het boshuisje zouden komen wonen. Uiteindelijk kreeg ik haar om. Ze was net acht.

    Bij de Prijsslag kochten we een pak chocomel en een doos negerzoenen, en door de herfstwind fietsten we naar de Bosseblie. We bouwden een hut van takken en rottende herfstbladeren en toen het donker werd aten we de laatste negerzoenen op.

    Aan een dak voor de hut kwamen we niet toe. Het was een wolkeloze, ijskoude nacht. “Als de zon zo meteen weer opkomt krijgen we het vanzelf weer warm,” zei ik opgewekt. Mijn zusje sliep een lange tijd; ik zat ineengedoken tegen een boom, doodsbang van krakende takken en ritselende bladeren.

    Het was nog lang niet licht toen mijn zusje huilend wakker werd. Ze schudde van de kou en wilde weg. Terwijl we naar het dichtstbijzijnde dorp fietsten probeerde ik haar moed in te spreken. Het was bijna morgen. Als we de hut eenmaal afhadden zou alles beter worden, probeerde ik nog een keer.

    Op het dorpsplein stond een verlichte telefooncel. We hadden nog twee kwartjes. “Ik bel de tijd,” zei ik. “Misschien is het echt bijna morgen…” Mijn zusje keek me peilend aan. “Als het nog geen zeven uur is gaan we naar huis,” zei ze beslist. Ik belde de tijd. De stem zei: “Bij de volgende toon is het vier uur, negenenvijftig minuten en veertig seconden.” Ping. Ik hing op. “Hoe laat?” vroeg mijn zusje ongeduldig. “Zeven uur,” loog ik. Het volgende moment klonken de slagen van de kerkklok, vlakbij. Boing. Boing. Boing. Boing. Boing. Mijn zusje keek me ontsteld aan. Ze griste het laatste kwartje uit mijn hand en belde naar huis. Een vreemde man nam op en gaf de hoorn al snel aan mijn moeder. Mijn zusje huilde, uitgeput en van slag, terwijl ze uitlegde waar we waren. Ik stond er verdoofd naast.

    Zegt het voort:
    • Print
    • email
    • Facebook
    • Hyves
    • Yahoo! Buzz
    • Digg
    • del.icio.us
    • Google Bookmarks
    • Twitter
    • Tumblr
    • StumbleUpon
    • Propeller
  • February8th

    Suiker

    Gepost in: LIFE

    Direct naast de schuifdeuren van de metro zit een oude zwarte vrouw. Ze houdt een rechthoekig vergrootglas boven de New York Times en leest een ingezonden stuk. Haar lippen prevelen onhoorbaar met de zinnen mee.

    De vrouw naast haar zit onbeweeglijk stil, als een etalagepop. Een donkere zonnebril rust op haar met pancake dichtgesmeerde neus. Haar verwaaide pruik zit een tikkeltje te schuin op haar hoofd. Ze lijkt zich van de hele wereld te willen distantiëren.

    Naast haar zit een Latino joch met op zijn schoot zijn vriendinnetje. Terwijl ze haar popperige gezichtje op zijn Yankees cap laat rusten, glijdt zijn hand over haar rug naar haar laagzittende spijkerbroek. Twee van zijn vingers verdwijnen langzaam langs haar bilspleet onder de spijkerstof.

    Tegenover hen zit een magere man te breien. Hij breit een muts; zo te zien precies zo een als op zijn hoofd prijkt: een roodgroengele slurf, met inkepingen en bovenin een paars tuutje. Een wollen ribbelcondoom, extra-extra-large.

    Even knijpt hij met zijn ogen. Dan laat hij zijn breiwerk in zijn schoot vallen en haalt een plastic buisje tevoorschijn. Met zijn mond trekt hij het dopje er vanaf, zet het aan een van zijn vingers en prikt zichzelf met een fijne naald. Hij houdt het buisje op en staart, zuigend op zijn vinger, naar het display. Dan gaat de dop weer op de prikpen en de prikpen weer in zijn tas. Hij haalt een injectienaald tevoorschijn en zet die overdwars in zijn mond. Hij maakt de riem van zijn broek los, trekt zijn trui omhoog en haalt het T-shirt uit zijn broek. Hij neemt de injectienaald uit zijn mond, trekt met zijn mond de veiligheidsdop eraf, checkt de hoeveelheid medicatie in de spuit en zet die dan zonder aarzeling in zijn lies. Kalm drukt hij de spuit leeg, trekt hem er weer uit en bergt de boel op. Hij neemt zijn breiwerk van zijn schoot en breit weer verder.

    Tegenover hem houdt de zwarte vrouw haar vergrootglas verbijsterd op de breiende man gericht.

    Het gezicht van de vrouw met de zonnebril is bevroren tot een afgrijzende grimas.

    De Latino jongen staart met bange ogen onder zijn cap vandaan.

    Zijn meisje is ogenschijnlijk in slaap gevallen. Dan fluistert ze dreigend: “Hey babe, what you doin’? Get your creepy hand out of my ass!”

    Zegt het voort:
    • Print
    • email
    • Facebook
    • Hyves
    • Yahoo! Buzz
    • Digg
    • del.icio.us
    • Google Bookmarks
    • Twitter
    • Tumblr
    • StumbleUpon
    • Propeller
  • February4th

    Bekentenis (4/5)

    Gepost in: LIFE

    Ik ben lange tijd verslaafd geweest aan playbacken. Met een koptelefoon op mijn hoofd, de stereo op 10 en de deur voor de zekerheid op slot gedraaid.

    Ik beleefde van alles, daar in mijn slaapkamer, optredend in het schijnsel van mijn bureaulamp. Ik stond iedere maand wel een paar keer in Toppop en ik won talloze Eurovisie Songfestivals. Soms vijftien keer achtereen Nobody Does it Better van Carly Simon vertolkend, onderwijl mijn eigen hopeloze verliefdheid wegjankend, van begin tot eind lip-sync. Of vrolijk rondhupsend op The Trojan Horse van Luv, altijd de juiste televisiecamera’s vindend tussen het uitzinnige publiek. En dan als toegift Dan Hartman’s Relight My Fire.

    Het was geen kwestie van puberaal tijdverdrijf. Het was een fix, een emotionele uitlaadklep. Ik stortte me met hart en ziel in ieder lied, mezelf overgevend aan liefdesverdriet en levensgeluk dat alleen bestond binnen de bruin en paars geschilderde muren van mijn kamer. Een uurtje Olivia Newton John, Boney M. en Gladys Knight and the Pips en ik kon de wereld weer aan.

    Op mijn zeventiende ging ik het huis uit. Ik hing een paar jaar rond in bars en disco’s en vond er alle liefde, alle smart en alle vernedering die ik jarenlang had bezongen. Nou ja, geplaybackt.

    Toen ik op mijn vijfentwintigste eens een weeklang met griep in bed lag en de grauwheid opnieuw toesloeg, haalde ik een kartonnen wc-rolletje uit de afvalbak, zette de koptelefoon op mijn hoofd en speelde Borderline van Madonna. Binnen een paar seconden zat ik er weer helemaal in. Met het wc-rolletje als draadloze microfoon in de hand bewoog ik als een professional door het enorme decor, dweepte met de gillende menigte en zong glashelder: ‘You just keep on pushing my love over the borderline…” En net toen ik op de cue van de regisseur van camera wisselde en mijn extatische blik naar rechts wendde stond daar mijn verbijsterde huisgenoot met een kom kippenbouillon in de deuropening.

    Ik heb daarna nooit meer geplaybackt.

    Zegt het voort:
    • Print
    • email
    • Facebook
    • Hyves
    • Yahoo! Buzz
    • Digg
    • del.icio.us
    • Google Bookmarks
    • Twitter
    • Tumblr
    • StumbleUpon
    • Propeller
  • February1st

    Bekentenis (3/5)

    Gepost in: LIFE

    Ik geloof niet. Niet in god en de hemel en de hel. Niet in boogschutters en schorpioenen. Niet in vorige levens. Niet in de magische krachten van het universum. Niet in holistische healings.

    “Maar je moet toch ergens in geloven?” stamelde een Amerikaanse vriendin gisterenavond, net toen ze haar veggie burger aan haar mond wilde zetten. “Er schuilt toch een diepere betekenis in dit leven?”

    “Tuurlijk. In het hier en nu. In vriendschap en in liefde. In dromen en daden. In wat je van dit leven maakt.”

    “That sounds pretty spiritual to me,” opperde mijn vriendin.

    Spiritualiteit is een woord waarvan ik diep moet zuchten, wat dan ook spontaan gebeurde.

    “I’m talking transcendent dimensions! New age! Something greater than oneself!” ging ze verder.

    “Da’s het soort taal dat gebezigd wordt door mensen voor wie religie niet sexy genoeg klinkt,” antwoordde ik net iets te onvoorzichtig.

    Waarop mijn vriendin genoeg had van haar burger, demonstratief gaapte en naar de ober wenkte voor de rekening.

    . . .

    Op mijn veertiende was New Age nog ver weg. Natuurlijk, op TV en in de grote stad, uren rijden verwijderd doken de swami’s op, maar niet in Zeeuws Vlaanderen. Ik zat op een gereformeerde school (‘Onze Casper heeft die discipline nodig’) waar ik werd uitgescholden voor fatje en flikker. De enige klasgenoot die naast me wilde zitten had korstje in haar haar en een jampotglazen bril op haar puisterige neus. Toch werd Leonie nooit of te nimmer gepest. Ze was een actief lid van Youth for Christ en met god en godsdienst werd op de gereformeerde middelbare school nooit ofte nimmer gespot.

    Leonie had het beste met me voor. Ze deed niet mee aan de treiterijen. En in ruil voor haar loyaliteit luisterde ik naar haar verhalen. Over Jezus die haar hart had geopend. Over die te gekke bijeenkomsten in de Youth for Christ coffeeshop. Over samen gitaarspelen en zingen over de heer.

    Één keer ben ik naar zo’n bijeenkomst geweest. Leonie zong samen met een clubje tieners in steenkolen-Engels over de lord terwijl ik verderop de christelijke publicaties op een tafel inspecteerde. Vanachter de tafel glimlachten een jongen en een meisje me minzaam toe. Het meisje wees naar een boekje en grapte naar de jongen: “Misschien is dat wel wat voor jou!” Ze schaterden het uit. “Echt niet!” snurkte de jongen. Het boekje waarom ze zo hysterisch moesten lachen heette ‘Verlossing voor de homofiel.’

    Voor Leonie was uitgezongen stond ik alweer buiten. Ik was veertien en ik wist niet veel, maar één ding wist ik zeker: ik zou nooit zo worden als die jongelui. Ik moest het doen met wie ik was. Ik moest er zelf iets van gaan maken.

    Zegt het voort:
    • Print
    • email
    • Facebook
    • Hyves
    • Yahoo! Buzz
    • Digg
    • del.icio.us
    • Google Bookmarks
    • Twitter
    • Tumblr
    • StumbleUpon
    • Propeller