Nieuw Amsterdammer
  • Archives
  • February13th

    Bekentenis (5/5)

    Posted in: LIFE

    Op mijn dertiende prijkten er zeven onvoldoendes op mijn herfstrapport.

    Mijn ouders dat rapport overhandigen was geen optie, dus de dag voor de herfstvakantie ging ik met mijn kleine zusje naar de openbare bibliotheek, waar ik haar gezeten in het gangetje tussen de Winkler Prins en de Medische Encyclopedie mijn plan ontvouwde.

    Ik vertelde haar over de Bosseblie, een bosje 14 kilometer verderop, middenin het akkerland. Daar zouden we een hut bouwen, en suikerbieten roosteren, en konijnen vangen. “Net als in Oorlogswinter,” zei ik, om het nog wat spannender te maken.

    Mijn zusje reageerde niet zoals ik had gehoopt. Ze huilde dikke tranen en het snot liep in lange slierten uit haar neus. “Hoe kan dat nou?” vroeg ze met stokkende adem, “Zeven onvoldoendes?” Mijn zusje was een lief en wondermooi meisje, dat enkel achten en negens haalde, ontelbaar veel vriendinnen had, en prachtig piano speelde. Zeven onvoldoendes, waaronder een drie voor wiskunde – hoe leg je dat zo iemand uit?

    Ik vertelde hoe pap en mam het allemaal anders zouden zien als we eerst een paar nachtjes gingen kamperen. Misschien dat ze zelfs wel bij ons in het boshuisje zouden komen wonen. Uiteindelijk kreeg ik haar om. Ze was net acht.

    Bij de Prijsslag kochten we een pak chocomel en een doos negerzoenen, en door de herfstwind fietsten we naar de Bosseblie. We bouwden een hut van takken en rottende herfstbladeren en toen het donker werd aten we de laatste negerzoenen op.

    Aan een dak voor de hut kwamen we niet toe. Het was een wolkeloze, ijskoude nacht. “Als de zon zo meteen weer opkomt krijgen we het vanzelf weer warm,” zei ik opgewekt. Mijn zusje sliep een lange tijd; ik zat ineengedoken tegen een boom, doodsbang van krakende takken en ritselende bladeren.

    Het was nog lang niet licht toen mijn zusje huilend wakker werd. Ze schudde van de kou en wilde weg. Terwijl we naar het dichtstbijzijnde dorp fietsten probeerde ik haar moed in te spreken. Het was bijna morgen. Als we de hut eenmaal afhadden zou alles beter worden, probeerde ik nog een keer.

    Op het dorpsplein stond een verlichte telefooncel. We hadden nog twee kwartjes. “Ik bel de tijd,” zei ik. “Misschien is het echt bijna morgen…” Mijn zusje keek me peilend aan. “Als het nog geen zeven uur is gaan we naar huis,” zei ze beslist. Ik belde de tijd. De stem zei: “Bij de volgende toon is het vier uur, negenenvijftig minuten en veertig seconden.” Ping. Ik hing op. “Hoe laat?” vroeg mijn zusje ongeduldig. “Zeven uur,” loog ik. Het volgende moment klonken de slagen van de kerkklok, vlakbij. Boing. Boing. Boing. Boing. Boing. Mijn zusje keek me ontsteld aan. Ze griste het laatste kwartje uit mijn hand en belde naar huis. Een vreemde man nam op en gaf de hoorn al snel aan mijn moeder. Mijn zusje huilde, uitgeput en van slag, terwijl ze uitlegde waar we waren. Ik stond er verdoofd naast.

  • February4th

    Bekentenis (4/5)

    Posted in: LIFE

    Ik ben lange tijd verslaafd geweest aan playbacken. Met een koptelefoon op mijn hoofd, de stereo op 10 en de deur voor de zekerheid op slot gedraaid.

    Ik beleefde van alles, daar in mijn slaapkamer, optredend in het schijnsel van mijn bureaulamp. Ik stond iedere maand wel een paar keer in Toppop en ik won talloze Eurovisie Songfestivals. Soms vijftien keer achtereen Nobody Does it Better van Carly Simon vertolkend, onderwijl mijn eigen hopeloze verliefdheid wegjankend, van begin tot eind lip-sync. Of vrolijk rondhupsend op The Trojan Horse van Luv, altijd de juiste televisiecamera’s vindend tussen het uitzinnige publiek. En dan als toegift Dan Hartman’s Relight My Fire.

    Het was geen kwestie van puberaal tijdverdrijf. Het was een fix, een emotionele uitlaadklep. Ik stortte me met hart en ziel in ieder lied, mezelf overgevend aan liefdesverdriet en levensgeluk dat alleen bestond binnen de bruin en paars geschilderde muren van mijn kamer. Een uurtje Olivia Newton John, Boney M. en Gladys Knight and the Pips en ik kon de wereld weer aan.

    Op mijn zeventiende ging ik het huis uit. Ik hing een paar jaar rond in bars en disco’s en vond er alle liefde, alle smart en alle vernedering die ik jarenlang had bezongen. Nou ja, geplaybackt.

    Toen ik op mijn vijfentwintigste eens een weeklang met griep in bed lag en de grauwheid opnieuw toesloeg, haalde ik een kartonnen wc-rolletje uit de afvalbak, zette de koptelefoon op mijn hoofd en speelde Borderline van Madonna. Binnen een paar seconden zat ik er weer helemaal in. Met het wc-rolletje als draadloze microfoon in de hand bewoog ik als een professional door het enorme decor, dweepte met de gillende menigte en zong glashelder: ‘You just keep on pushing my love over the borderline…” En net toen ik op de cue van de regisseur van camera wisselde en mijn extatische blik naar rechts wendde stond daar mijn verbijsterde huisgenoot met een kom kippenbouillon in de deuropening.

    Ik heb daarna nooit meer geplaybackt.

  • January20th

    Bekentenis (1/5)

    Posted in: LIFE

    Op aanstichting van Joost: de eerste van vijf eerder onbelichte zaken.

    “Ik ga met je vechten en ik sla je helemaal in elkaar,” zei Wessel T. uitdagend.

    Hij zat bij mij in de zesde klas van de lagere school. “Op de dijk bij jouw huis, vanmiddag om 4 uur. Ik neem al mijn vrienden mee.” Hij knikte er vastbesloten bij. “Oh,” kon ik er nog net uitkrijgen. “En als je niet op komt dagen bel ik je ouders en dan vertel ik ze dat je de grootste sukkel van de klas bent.” Dat klonk bijna nog bedreigender.

    Na school rende ik zo snel ik kon naar huis. Stijf van de zenuwen gluurde ik vanachter de vitrage naar het dijkje. Voortdurend dacht ik dat ik jongenshoofden op zag duiken tussen het hoge gras. Ik verbeeldde me dat het er wel dertig waren. De rest van de middag staarde ik naar onze beige telefoon. Ik trok de telefoonstekker eruit, maar wist meteen dat ik het daarmee niet zou redden. Ik schroefde de kop van de hoorn en bestudeerde de gekleurde draadjes die onder het zwarte speakerschelpje zaten. Zonder er lang over na te denken trok ik de draadjes los en draaide de boel weer op zijn plaats.

    Om half zeven ging voor het eerst de telefoon. Mijn vader nam op, maar hoorde niets. “Hallo?… Hallo?…” Hij hing op en zei: “Een grapjas zeker.” Maar een huisvriend met sensatiezucht dacht er anders over. “Da’s de geheime dienst die je afluistert,“ bezwoer hij mijn vader, en vervolgens zette de man een complottheorie uiteen rond een kennis van mijn vader die contacten zou hebben bij de IRA. “Die jongens kennen geen genade, Cor.” Mijn vader trok bleek weg. Hij keek naar mijn kleine zusje, mijn moeder en mij. “Oh God, nee,” zei hij met bevende stem. “Oh God, laat het niet waar zijn…”

    Huilend viel ik die avond in slaap.

    Het ergste voltrok zich de volgende middag. Mijn moeder fietste naar de Albert Heijn toen Wessel T. naast haar kwam rijden. “Je zoon is de grootste lafbek van de wereld!” riep hij. “En jij bent een hoer!” schreeuwde hij er achteraan. “Vuile hoer!” Mijn moeder viel van verbijstering bijna van haar fiets. Triomfantelijk fietste Wessel verder.

    Zonder boodschappen kwam mijn moeder thuis en vertelde ons wat er gebeurd was. Ze barstte in huilen uit. “Wat denkt dat snotjoch wel!” jammerde ze ontdaan. “Ik ben helemaal geen hoer!” Troostend nam mijn vader haar in de armen. “Natuurlijk niet, mijn liefje.”

    Ik stond erbij en deed er het zwijgen toe. Dat krijg je ervan, dacht ik, als je de grootste lafbek van de wereld bent.