Met een familieverpakking roomijs in een plastic zakje loop ik over Broadway terug naar huis. Het is halverwege de avond, en mijn vent ligt onderuit voor de TV naar de Oscaruitreiking te kijken.
De Oscars zijn voor Amerikanen net zoiets als het Eurovisie Songfestival voor – okee, laat ik voor mezelf spreken – zoiets als het Eurovisie Songfestival voor mij. Je moet er mee opgegroeid zijn om het echt te kunnen waarderen, bedoel ik maar te zeggen.
Ikzelf kom die ellenlange Oscarshow enkel door met een flinke portie chocoladeijs-met-stukjes-koek-en-kersen. Bovendien sneeuwt het en New York in de sneeuw overtreft Ellen DeGeneres in witte lakschoentjes met ruime afstand. Terwijl de sneeuwvlokken langs mijn wangen kietelen voel ik het geluk in me opzwellen. J’aime-j’aime la vie, schiet het door mijn hoofd.
Dan schiet er een sneeuwbal rakelings langs mijn hoofd. Als ik me verschrikt omdraai grijnst mijn onderbuurman me baldadig toe. “Howdy neighbor,” roept hij. Mijn onderbuurman is operazanger. Godzijdank zitten er nog vier verdiepingen tussen ons in, want de man zingt de hele dag uit volle borst. Alleen als ik in de kelder mijn was doe hoor ik hem zijn stukken repeteren.
We lopen samen verder. “Mag ik je wat vragen?” zegt hij onverwacht formeel.
“Tuurlijk.”
“Lieg jij wel eens?”
“Pardon?”
“Lieg je wel eens?” vraagt hij nog eens, “Een leugentje om bestwil, of een dikke vette leugen die je voor de rest van je leven achtervolgt?”
Ik geloof dat hij een beetje aangeschoten is. “Niet of nauwelijks,” antwoord ik.
Mijn buurman grinnikt. “Ik heb net tegen mijn vriendin gelogen dat ik haar al negen jaar trouw ben.”
“O.”
“Terwijl ik het sinds we samen zijn al met vierentwintig anderen heb gedaan.”
“Vierentwintig?”
Hij knikt. Zijn ogen fonkelen van trots. “Ik houd een lijst bij, dus ik weet het tot op de datum precies.”
“Oh, zo.”
“En jij?”
“Ik?”
“Ja, jij?”
“Nee, ik houd geen lijst bij en ik ga ook niet vreemd.”
“Nee, ik bedoel, waarover lieg jij?”
Ik doe mijn best, maar kan me niets recentelijks voor de geest halen. “Toen ik twintig was zat ik op een dramaopleiding.”
“En da’s gelogen?”
“Nee, da’s waar. In de eerste week op school werd ons gevraagd om te laten zien waar we het beste in waren. Een meisje deed een acrobatiek-act. Iemand anders gaf een massage. Weer een ander danste de tango. En ik haalde een blik koekjes tevoorschijn. Bokkenpootjes.”
“Bokkabootjas?”
“Zoiets. Ik vertelde er een verhaal bij. Over hoe ik ooit een zomer lang in de Verkadefabriek had gewerkt. Da’s een Nederlands koekjesmerk.”
“Interesting.”
“Ik heb er twee maanden lang aan de lopende band bokkenpootjes gemaakt. Geholpen bij het samenstellen van de ingrediënten, bij het bakken, de hele procedure van begin tot eind gevolgd. Van het verdiende geld heb ik een surfplank gekocht.”
“Good for you!”
“Een jaar later zocht ik weer een vakantiebaantje. Via het uitzendbureau kwam ik bij de Jaminfabriek terecht. Die maken ook koekjes.”
“I see.”
“Op de eerste dag vertelde ik in de kantine over mijn bokkenpotenverleden. Na de lunchpauze werd ik door de directie apart genomen. Ze wilden alles van me weten over de bokkenpootjes van Verkade. Over de receptuur, het cacaogehalte in het chocoladebad, alles. En terwijl ik schaamteloos alle geheimen van de Verkade bokkenpoot uit de doeken deed realiseerde ik me wat een kennis ik bezat. ’s Avond ben ik in mijn moeders keuken begonnen met experimenteren. En binnen een week presenteerde ik de perfecte bokkenpoot: knapperig van buiten, zacht van binnen, en puur natuur, zonder wat voor conserveringsmiddelen dan ook.”
“You’re a true genius!” bast mijn buurman terwijl we de hoek omslaan. Onze voetstappen kraken in de sneeuw.
“Dus toen ik mijn koekjesblik opende en het aan mijn nieuwe klasgenootjes van de dramaopleiding voorschoof zaten daar zowaar mijn zelfgebakken bokkenpoten in. Iedereen nam er een, bewonderde het baksel als was het een zeldzame edelsteen en proefde met verfijnde knibbelhapjes. Daarna volgden de lovende woorden, het verrukte gekreun, het ongeloof dat ik zulke perfecte koekjes wist te bakken. Een meisje gaf zelfs toe dat ze normaliter geen bokkenpootje door haar strot kreeg, maar deze vond ze ver-ruk-ke-lijk. Waarop ik de trommel weer dicht deed en hen de waarheid vertelde. Dat ik nooit bij Verkade had gewerkt. En ook nooit bij Jamin.”
“Good lord!”
“Die koekjes waren van de supermarkt en het enige waarin ik echt uitblonk was verhalen vertellen.”
“You certainly do!” zegt mijn buurman terwijl hij de voordeur opent en we de sneeuw van onze schoenen stampen.
“Maar de dramadocent dacht er anders over. Ze vond dat ik niet fantaseerde maar loog en ze maakte zich grote zorgen om de tevredenheid waarmee ik mijn leugen had opgebiecht.”
“She sounds like my girlfriend!” schalt mijn buurman lachend door de hal. En dan op gedempte toon: “Denk je dat ik haar de waarheid moet vertellen?”
Jesus, wat een confrontatie. Vertwijfeld staar ik naar het pak ijs in mijn plastic zak.
Mijn buurman laat een luide boer. Dan legt hij zijn arm op mijn schouder. “Anyway. Your ice cream is melting, pal. Why don’t we call it a night.”
Hij draait zich om en hobbelt naar zijn voordeur. De trap opklimmend hoor ik hem zachtjes zingen. Erbarme dich, mein Gott.



NY Restaurants Guide