De chique straten tussen de Avenida Las Heras en de Avenida Santa Fe, die Buenos Aires overdag op Parijs doen lijken, ogen ’s avonds laat een stuk minder elegant.
De rolluiken zijn omlaag en de reclameverlichting is uit. Jongens en mannen komen met hun zelfgemaakte karren vanuit de sloppenwijken aangesjokt, de vuilniszakken van de rijken doorzoekend. De één verzamelt karton, de ander lege flessen. Sommige flessen zijn nog niet helemaal leeg en worden ter plekke leeggedronken.
Met zijn arm tot aan zijn oksel in de vuilnis kijkt een jongen van amper 12 me peilend aan. Hij wil een paar dollars, zegt hij. Ik schud van nee. Dan voel ik iets nats in mijn knieholte en draai me verschrikt om. Een grote hond schiet net zo verschrikt bij me vandaan. Hij ziet er ziek uit. Broodmager en half kaal. Ik moet hier vandaan.
Terwijl ik mijn pas versnel hoor ik achter me het gedribbel van de hond. Hij volgt me op de voet. Ik vertraag mijn pas. De hond ook. Ik sta stil. De hond ook. Ik draai me naar hem om. Terwijl hij me vragend aanstaart trekt hij z’n kop een beetje schuin. Al is het een engerd om te zien, zelfs al is het een broeihaard van ziektes, mijn hart smelt. Dat heb ik met honden. Het zijn de meest transparante wezens op aarde.
‘Vort!’ roep ik, tot mijn eigen schrik en de zijne. En ik stamp ook nog eens op de grond. De hond doet bangig een paar stapjes achteruit.
Resoluut draai ik me van hem af en zet de pas er weer in. Onmiddellijk ook hoor ik het beest achter me aandribbelen. Ik schiet tussen twee geparkeerde auto’s door de straat over; de hond volgt op de voet. En nog voor ik de overkant bereik voel ik weer die natte neus tegen mijn onderbeen. Ik zet het op een rennen, maar de hond rent met me mee. Hij rent nu zelfs met me op en als we oogcontact maken begint hij vrolijk te huppelen.
Dit kan dus echt helemaal niet.Ik sta stil en de hond drentelt kwispelstaartend om me heen. En ik ben net nog wel onder de douche geweest, bedenk ik me. Ik stink niet eens lekker naar afval, zoals alle anderen mannen in de straat. Wat moet dit beest van mij?
‘Hou op!’ roep ik zo kwaad mogelijk. Verderop blikken een paar mannen nieuwsgierig uit hun vuilniszakken op.
De hond houdt op met kwispelen. Treurig blikt hij me aan. Zachtjes piept hij. Dan loop ik beslist verder. Met de hond op mijn hielen kom ik bij de drukke Avenida Santa Fe uit. Taxi’s en bussen razen er voorbij. Jongelui hangen in groepjes rond bij winkels en restaurants. Ik wacht tot het voetgangerslicht op groen springt. Dan draai ik me kwaad naar de hond om en bijt hem toe: ‘Sodemieter op!’
Ontzet deinst de hond iets terug. Ik draai me om en steek snel de zesbaansweg over. Ik slik mijn eigen ontzetting weg. Het beest verstaat toch geen Nederlands, maak ik mezelf wijs. Als ik de overkant bereik trekt het verkeer op de avenue weer met veel geraas op. De hond is aan de overkant achtergebleven. Tussen de auto’s door kijk ik even schichtig zijn kant op. Hij blikt verloren terug. Dan draait hij zich van me af en drentelt de onverlichte straat weer in. Achter een jongeman en een kind aan, die tezamen een supermarktwagentje met afvalhout over het asfalt duwen.



NY Restaurants Guide