In de verlaten hal op de eenenvijftigste verdieping van de kantoorflat staar ik om me heen naar de veertien liftdeuren. Welke zal het worden? Hoeveel mannen in pak zullen er in rijen opgesteld staan?
Ping.
De liftdeur vlak voor me schuift open. Het is er maar één. En hij draagt geen pak.
Terwijl de lift naar beneden suist maakt de jongen een klokkend geluid met zijn mond. Ik voel zijn starende blik. Een voor een knakt hij zijn vingers.
“Hi there,” zegt hij, als we al bijna beneden zijn.
“Hello,” antwoord ik.
Hij is een jaar of vijfentwintig. Een piercing in zijn onderlip, twee in zijn wenkbrauwen, ontelbare meer in zijn oren. Op zijn adamsappel prijkt een getatoeëerde roze driehoek.
De liftdeuren schuiven open.
“Wacht even,” zegt hij als ik naar buiten stap. “Zou je me een handje kunnen helpen met mijn monitor?”
Na lang wrikken bij het securitypoortje en in de draaideur naar buiten staan we op Seventh Avenue. Hij steekt zijn hand uit. “Ik ben Paul.”
“Casper,” stel ik me voor.
Beledigd kijkt hij me aan. “Yeah, whatever.”
Pardon?
“Casper? That’s no real name! Who the fuck names their child after a ghost?”
Ik haal mijn schouders op. “Het is een behoorlijk gangbare naam waar ik vandaan kom. Heb een goeie avond.”
Weglopend hoor ik hem roepen: “Hey! Casper! Come back!”
Ik stop. Gevaarlijk slingerend met de kartonnen doos komt hij aangesjokt. “Zou je me alsjeblieft nog even willen helpen sjouwen? Ik hoef alleen de hoek maar om, naar de 1 uptown.”
Blijkbaar is de weerzin van mijn gezicht te lezen. “Please,” fluistert hij moedeloos. “Where are you from?”
Als we de hoek om zijn vertelt hij dat hij in Amsterdam heeft gewoond. Drie maanden. “Tuurlijk, jullie Nederlanders zouden dat een lange vakantie noemen. Ik liep er stage en kwam er uit de kast. A life changing experience. Are you gay?”
Ik knik, mezelf een weg banend langs een walmende pretzelkraam.
“Moet jij ook met de 1 uptown?”
“Yep,” verzucht ik, met de doos snijdend in mijn nek de trap naar de metro afstrompelend.
“You Dutch queers are such sissies nowadays. Absoluut geen vechtlust. Maar goed, waarvoor zouden jullie nog vechten? Tegen een beetje moslimconservatisme, misschien…”
Ik worstel met de doos, mijn metrokaart en het smalle poortje.
“We American queers still need to fight our biggest battles, though,” vervolgt Paul zijn betoog. “Washington. The red states. De media.”
We zetten de doos neer op het perron.
“De media?” Ik geloof dat ik het nu wel heb gehad.
“Natuurlijk! De media zwijgen ons dood!”
“Ach, welnee! Brokeback Mountain krijgt zeeën van aandacht en staat al maanden hoog in de box office. De discussie over het homohuwelijk staat iedere dag wel ergens in de krant. En de populairste comedy op TV is Will & Grace!”
Driftig schudt Paul met zijn hoofd. “En wie speelt Will? Nou? Nou?” Het metaal aan zijn oren klettert. “Een hetero!”
De metro rijdt het station binnen en het volk om ons heen verdrukt zich aan de rand van het perron. Het denderen van de trein neemt alles over. Ik zucht eens diep.
Will is een hetero. Kijk aan. En als dit joch vindt dat alle homorollen door homoacteurs gespeeld moeten worden, zijn alle heterorollen dan ook strikt voor heteroacteurs bedoeld?
De metrodeuren schuiven open. Een paar passagiers wrikken zich naar buiten. Dan duwt de mensenmassa om mij heen zich voorwaarts.
Temidden van al het gewoel komt er plotseling een grote kalmte over me.
Verderop in de trein duikt Paul weer op. “Casper, come on! Hey, man, make space for my friend Casper!”
Ik sta aan de rand van het perron. Binnen probeert een meneer wat plek voor me te maken maar ik houd het voor gezien. “Casper, step inside!”
De deuren schuiven dicht en de metro trekt op. Paul zwaait me temidden van het kantoorvolk paniekerig na.
Ik sta op een verlaten perron.
Opgelucht.



NY Restaurants Guide