Nieuw Amsterdammer
  • Archives
  • February3rd

    Homo Activist

    Posted in: LIFE

    In de verlaten hal op de eenenvijftigste verdieping van de kantoorflat staar ik om me heen naar de veertien liftdeuren. Welke zal het worden? Hoeveel mannen in pak zullen er in rijen opgesteld staan?

    Ping.
    De liftdeur vlak voor me schuift open. Het is er maar één. En hij draagt geen pak.

    Terwijl de lift naar beneden suist maakt de jongen een klokkend geluid met zijn mond. Ik voel zijn starende blik. Een voor een knakt hij zijn vingers.
    Hi there,” zegt hij, als we al bijna beneden zijn.
    Hello,” antwoord ik.
    Hij is een jaar of vijfentwintig. Een piercing in zijn onderlip, twee in zijn wenkbrauwen, ontelbare meer in zijn oren. Op zijn adamsappel prijkt een getatoeëerde roze driehoek.
    De liftdeuren schuiven open.
    “Wacht even,” zegt hij als ik naar buiten stap. “Zou je me een handje kunnen helpen met mijn monitor?”

    Na lang wrikken bij het securitypoortje en in de draaideur naar buiten staan we op Seventh Avenue. Hij steekt zijn hand uit. “Ik ben Paul.”
    “Casper,” stel ik me voor.
    Beledigd kijkt hij me aan. “Yeah, whatever.”
    Pardon?
    “Casper? That’s no real name! Who the fuck names their child after a ghost?
    Ik haal mijn schouders op. “Het is een behoorlijk gangbare naam waar ik vandaan kom. Heb een goeie avond.”
    Weglopend hoor ik hem roepen: “Hey! Casper! Come back!
    Ik stop. Gevaarlijk slingerend met de kartonnen doos komt hij aangesjokt. “Zou je me alsjeblieft nog even willen helpen sjouwen? Ik hoef alleen de hoek maar om, naar de 1 uptown.
    Blijkbaar is de weerzin van mijn gezicht te lezen. “Please,” fluistert hij moedeloos. “Where are you from?

    Als we de hoek om zijn vertelt hij dat hij in Amsterdam heeft gewoond. Drie maanden. “Tuurlijk, jullie Nederlanders zouden dat een lange vakantie noemen. Ik liep er stage en kwam er uit de kast. A life changing experience. Are you gay?
    Ik knik, mezelf een weg banend langs een walmende pretzelkraam.
    “Moet jij ook met de 1 uptown?”
    “Yep,” verzucht ik, met de doos snijdend in mijn nek de trap naar de metro afstrompelend.
    You Dutch queers are such sissies nowadays. Absoluut geen vechtlust. Maar goed, waarvoor zouden jullie nog vechten? Tegen een beetje moslimconservatisme, misschien…”
    Ik worstel met de doos, mijn metrokaart en het smalle poortje.
    We American queers still need to fight our biggest battles, though,” vervolgt Paul zijn betoog. “Washington. The red states. De media.”
    We zetten de doos neer op het perron.
    “De media?” Ik geloof dat ik het nu wel heb gehad.
    “Natuurlijk! De media zwijgen ons dood!”
    “Ach, welnee! Brokeback Mountain krijgt zeeën van aandacht en staat al maanden hoog in de box office. De discussie over het homohuwelijk staat iedere dag wel ergens in de krant. En de populairste comedy op TV is Will & Grace!”
    Driftig schudt Paul met zijn hoofd. “En wie speelt Will? Nou? Nou?” Het metaal aan zijn oren klettert. “Een hetero!”

    De metro rijdt het station binnen en het volk om ons heen verdrukt zich aan de rand van het perron. Het denderen van de trein neemt alles over. Ik zucht eens diep.
    Will is een hetero. Kijk aan. En als dit joch vindt dat alle homorollen door homoacteurs gespeeld moeten worden, zijn alle heterorollen dan ook strikt voor heteroacteurs bedoeld?
    De metrodeuren schuiven open. Een paar passagiers wrikken zich naar buiten. Dan duwt de mensenmassa om mij heen zich voorwaarts.
    Temidden van al het gewoel komt er plotseling een grote kalmte over me.
    Verderop in de trein duikt Paul weer op. “Casper, come on! Hey, man, make space for my friend Casper!
    Ik sta aan de rand van het perron. Binnen probeert een meneer wat plek voor me te maken maar ik houd het voor gezien. “Casper, step inside!
    De deuren schuiven dicht en de metro trekt op. Paul zwaait me temidden van het kantoorvolk paniekerig na.

    Ik sta op een verlaten perron.
    Opgelucht.

  • December18th

    Magic

    Posted in: LIFE

    Gelaten duwt de man het karretje de metro in. Terwijl hij de vierwieler vlak voor me parkeert bekijk ik het ding wat beter. Het is een omgebouwde kinderwagen. Het gele lint waarmee de rode plastic bekleding is afgewerkt, maakt het geheel wat circusachtig. Maar de kleine man in z’n gewatteerde winterjas ontbreekt het zelf aan enige jeu.

    De metrodeuren schuiven dicht, de trein komt in beweging. De man duwt de rode overkapping van zijn wagentje opzij en haalt een dik stuk koord tevoorschijn. Hij houdt het koord omhoog, draait zich naar links en dan naar rechts. De meeste mensen in de metro hebben hem nog niet opgemerkt. Hij schudt even met het slaphangende koord en, voila, het verstijft tot een horizontale staaf. Nog geen seconde later werpt hij het ding weer in zijn wagentje.

    Hij haalt een schetsboek tevoorschijn. Met een uitgestreken gezicht houdt hij het omhoog en toont de lege pagina’s van het boek. Hij maakt een quasi magisch gebaar en bladert nog eens door het boek. Ik geloof dat ik nu tekeningen zie op de getoonde bladzijden, maar voor ik het weet draait hij zich alweer af en toont hij zijn truc aan de andere kant van de trein. Onverschillig smakt hij het boek in zijn karretje.

    Hij haalt een blikken trommeltje tevoorschijn, haalt het deksel eraf en zwaait wat onhandig om zich heen. Het dekseltje gaat weer op de trommel, wordt er dan weer afgehaald en hoepla, er fladdert een witte duif uit de trommel. De vogel landt op zijn schouder, springt over op zijn vinger en wordt weer in de trommel geplaatst. Deksel er weer op, trommel in de kinderwagen.

    Naast me hoor ik schamper gegrinnik. Licht verwonderde blikken staren naar de man die nu een plastic doos ophoudt. Met een vreugdeloze tronie schuift hij het deksel van de schijnbaar lege doos. Hij doet het deksel er weer op, maakt een vaag, theatraal gebaartje en haalt het deksel er weer af. De oren van een bruin gevlekt konijntje komen tevoorschijn. Hij haalt het beestje uit de doos en houdt het even aan zijn borst. Verderop klapt iemand. Er wordt wat gegiecheld. Het konijntje wordt in de kinderwagen gepland.

    Hij haalt een zakdoek uit zijn jaszak en slaat die uit. Thank You! staat er in bonte letters opgeschreven. Hij houdt de zakdoek op naar links. Hij houdt de zakdoek op naar rechts. Dan pas realiseer ik me dat hij nog geen woord gesproken heeft. Is het omdat hij geen Engels spreekt? Of kan hij misschien niet praten? Hoe het ook zij, het is de slechtste goochelact die ik ooit heb gezien.

    Hij frommelt de zakdoek weer op en doet die in een rood fluwelen zakje. Hij schudt het zakje even op en neer; er klinkt gerinkel van kleingeld. Terwijl hij met de zak rond gaat remt de metro af bij het volgende station. Erg veel wordt er niet gegeven. De man loopt weer terug naar zijn goochelkar, werpt een korte blik in de fluwelen zak en stopt die dan weg tussen zijn andere attributen. De trein komt tot stilstand. De deuren schuiven open. “Fucking three dollars,” hoor ik hem mompelen, terwijl hij zijn kar het perron opduwt.

  • November25th

    Krengetje

    Posted in: LIFE

    Op Colombus Avenue streep ik een paar punten van mijn lijstje af. De bankzaken zijn geregeld, de nieuwe Kate Bush cd is aangeschaft en bij Zabar’s heb ik een doos met chocolade overgoten pretzels gekocht. “Yo! Spread it out, man!” Naast mij staat een man in overall luid te bellen. Nee, hij praat in een walkie-talkie, naar een andere man die verderop voor Lincoln Center de kerstverlichting in een enorme kerstboom hangt. “A little to the right. More. More. More. Stop! A little to the left…”

    Jazeker, de uitgekerfde pompoenen zijn alweer een tijdje uit de vensterramen weggehaald. Maar sinds drie weken hangt er om de hoek van mijn huis in Brooklyn al kerstverlichting boven 5th Avenue. En sinds deze week is de knop helemaal om. Cheerio Halloween. Goodbye Thanksgiving. Hello Christmas.

    Een meisje van een jaar of tien komt aangelopen. “Dad, look at that insane Christmas tree.” Haar vader legt zijn hand op haar schouder terwijl hij zich aan de boom voor Lincoln Center vergaapt. “Ain’t that a beauty.” Ongelovig kijkt het meisje naar hem op. “Dad, that thing is ugly! …U! …G! …L! …Y! Ugly!” Ze werpt nog een laatste blik op de verlichte boom, schudt afkeurend haar hoofd en huppelt richting de metrohalte. Haar vader volgt, zijn schouders ophalend. Ik slenter achter hen aan de trap af. Nog vijf weken moeten we met dit nieuwe decor verder, bedenk ik me terwijl ik een nieuwe metrokaart koop. Dan volgt de gekte rond Valentijnsdag. Dan Pasen. Maar dan wordt het goddank lente. Dan neemt de natuur de versiering weer een half jaar van ons over.

    Net als ik het perron oploop rolt de 1 binnen. Ik wring me tussen de mensen door naar een lege stoel. Als ik plaatsneem wiebelen naast mij twee magere meisjesbenen in een roze maillot ongeduldig heen en weer. Het is U-G-L-Y, nu vlot door het menu van haar iPod heen rollend. Naast haar bladert haar vader door z’n Daily News.

    Ik maak de rits van mijn rugzak open en bekijk de aangeschafte waar. Eigenlijk wil ik het liefst zo’n chocoladepretzel, maar ik beheers me en haal Kate Bush tevoorschijn. De eerste langspeelplaat die ik ooit kocht was van Kate Bush. En deze, Aerial, volgt na twaalf jaar stilte. Terwijl ik het hoesje bestudeer wiebel ik opgewonden met mijn benen. “Copycat!” fluistert het meisje naast me. Verbaasd kijk ik opzij. Haar ogen half dichtknijpend kijkt ze me zo gemeen mogelijk aan. Mijn benen vallen er acuut van stil.

    “Josie, come on!” Haar vader heeft zijn krant dichtgeslagen en schenkt me een verontschuldigende blik. Dan richten zijn ogen zich op mijn nieuwe cd. “Is that the new Kate Bush?” Ik bespeur opwinding en knik enthousiast. “She’s a true genius,” verzucht de man. Het meisje tussen ons in drukt op pause. “Who’s that?” wil ze weten. “That’s the woman who sings Babooshka,” antwoordt haar vader. “Remember that song?” Het meisje tuit haar mondje en knikt zuinigjes. “Right. That silly song you sang to me when I was little.” Haar ogen schieten vuil naar me omhoog. Dan draait ze zich naar haar vader en stelt: “You guys are so corny. …C! …O! …R! …N! …Y! Corny!”

    Op dat moment stopt de trein bij het station van Time Square. Ik trek mijn rugzak met een ruk onder haar magere beentjes vandaan en stap uit. Hoofdschuddend steek ik het perron over en neem plaats in een vrijwel lege express trein. In een hoekje, helemaal op mezelf, graai ik een chocolade pretzel uit mijn rugzak en prop die in mijn mond. Ik peuter de plastic sealing van mijn nieuwe aanwinst. Ik blader door het boekje met teksten. Slooshy sloshy shlooshy sloshy, Get that dirty shirty clean. Slooshy sloshy shlooshy sloshy, Make those cuffs and collars gleam.

    Ik neem nog een chocoladepretzel. En meteen daarna nog een. Met Kate Bush wordt niet gespot.

  • October23rd

    Volgepakt

    Posted in: LIFE

    Op weg naar een vriendin stap ik op het metrostation van Times Square over van de N op de 1. Het is vrijdagavond, half zes, en het treinstel is afgeladen vol. Ik wrik me nog net tussen een heer in zwarte overjas en een jonge vrouw met i-Pod als de metrodeuren achter me dichtschuiven. Terwijl de metro optrekt grijpen de armen naar houvast. Ik zie de schichtige blikken om me heen; een schreeuwerige kop in de Daily News; de wielen van een kinderwagen; twee attachékoffers. Ik ruik de adem van iemand die de hele dag koffie heeft gedronken; verregende haren; een vaag deodorantluchtje; vuurwerk. Wat? Nee, laat ik mezelf nou niet meteen gek maken om een vaag kruitluchtje. Ik zit niet met een zelfmoordterrorist in de spitsmetro onder Times Square. ’t Is gewoon een van die vele vreemde luchtjes die je en passant opsnuift in een miljoenenstad. Het luchtje is bovendien alweer opgelost.

    Verderop begint iemand nadrukkelijk te kuchen. “Lady’s and gentlemen…. Het spijt me dat ik u vandaag lastig moet vallen… U heeft allemaal hard gewerkt…. De trein is volgepakt en u wilt niets liever dan snel naar uw geliefden thuis.” De stem komt van de andere kant van het treinstel. Ik kan de man niet zien, maar weet net als iedereen om me heen dat hier een dakloze spreekt. “Mijn naam is Harry,” vertelt hij, “Ik heb geen thuis. Ik ben sinds een jaar dakloos. Ik heb aids. Dat heb ik al twintig jaar. Ik slik iedere dag 27 verschillende tabletten. Ik heb altijd goed voor mezelf gezorgd en ik heb altijd gewerkt. Maar vorig jaar verloor ik mijn baan en de afgelopen maanden ben ik 40 pond afgevallen.” Tussen de menigte mensen in het gangpad door zie ik een hand gebaren. Maar weinig mensen lijken aandacht te schenken aan zijn verhaal. “Bedelen is niet mijn stijl. Een jaar geleden had ik het mij niet voor kunnen stellen dat ik hier nu zo zou staan. Het spijt me dat ik u lastig moet vallen. Alles wat ik van u vraag is wat kleingeld. Zodat ik een broodje kan kopen, en een pak sinaasappelsap.”

    De trein remt alweer af. De volgende halte is 50th Street. Ik moet een halte verder zijn, op 59th, maar vraag me af of ik misschien niet beter negen blokken kan lopen – kruitlucht of geen kruitlucht. “Ik zorg goed voor mezelf,” gaat Harry verder, “Ik drink geen alcohol, en de enige drugs die ik gebruik zijn mijn medicijnen. Ik ben blij dat u allen naar mijn verhaal heeft willen luisteren en mocht u een kleinigheid voor mij over hebben, dan ben ik u daar heel dankbaar voor. God bless you all and please get home safely. Dank u wel.” De trein komt bij het perron tot stilstand. “Dank u wel, dank u wel.”Achter mij schuiven de deuren weer open. Ik doe een stap opzij en een horde passagiers stapt naar buiten. Harry schuifelt met een papieren zakje langs de mensen die zijn blijven zitten. “Dankuwel. God bless.” Hij is broodmager. Het zou aids kunnen zijn, maar ook heroïne. Of allebei.

    Nieuwe reizigers stappen in. Ik ruik meer verregend haar, dan even een dikke olielucht. Ik staar nog een moment naar het Exit-bord op het perron. Negen blokken. Dan schuiven de deuren alweer dicht. Handen grijpen naar houvast terwijl de trein op gang komt. Ik ruik een zure lucht. Het is Harry, die naast me is komen staan. Even bijt hij op zijn kaken. Zijn huid is zo bleek dat je er bijna door heen kan kijken. “Lady’s and gentlemen….” Hij kucht en hapt even naar adem. Hij recht zijn rug en staart tussen de hem negerende passagiers door naar het andere uiteinde van het treinstel. “Het spijt me dat ik u vandaag lastig moet vallen. U heeft allemaal hard gewerkt. De trein is volgepakt en u wilt niets liever dan snel naar uw geliefden thuis…”