Na een halfuur wandelen over heuvels en dalen verdwaal ik. De uitzichten op Manhattan, op New Jersey en op het vrijheidsbeeld zijn verdwenen. Alle paden kronkelen en vertakken verder en nog steeds ben ik geen engel, geen zuil, geen zerk of familienaam tegengekomen die me terug kan leiden naar waar ik vandaan kwam.
De winterzon trekt lange schaduwen. Het zal een uur of half vier in de middag zijn, dus als de zon die kant opzakt, dan is het westen daar en als Brooklyn hier – dan is Manhattan – en mijn huis – en de ingang… Eigenlijk heb geen idee wat ik mezelf duidelijk probeer te maken. Voor het eerst van mijn leven zie ik het nut in van de Padvinderij.
Ver weg zie ik een groene wagen van de onderhoudsdienst over het pad weg hobbelen. Dan vlakbij een bewegende schim tussen de bomen. Diep weggedoken in zijn grijze winterjas, blikt de man me met nieuwsgierige glinsterogen aan. “It’s a fine place to be, isn’t it?” roept hij. Zijn gehandschoende hand gebaart me dichterbij te komen. “Weet u hoeveel er hier liggen?” vraagt hij met een gemoedelijk knikje.
Ik haal mijn schouders op terwijl ik dichterbij kom.
“Oh come on! Take a guess!”
Hij grijnst uitdagend. Een beetje stoer zelfs, hoewel de man een jaar of zeventig moet zijn.
Ik schud mijn hoofd. “Echt, ik heb geen idee. Vijftienduizend?”
De man schaterlacht. Ik zie een mond vol gouden kronen.
“Vijftienduizend, zegt hij! Vijftienduizend! Weet u wel waar u bent? This is New York City, man! Nee, het zijn er meer dan zeshonderd duizend! Zeshonderd duizend! Daar boven in die stenen kollos liggen de gebroeders Steinway, van de piano’s, weet u wel. En de vader van president Roosevelt ligt ginder. En een stuk die kant op, op de hoogste plek van Greenwood, ligt Leonard Bernstein. En hier-” hij wijst naar een eenvoudige grafsteen aan een kasseien paadje, “Hier ligt mijn vrouw.” Hij staart even naar de steen, waar een vers bosje bloemen voor is gelegd. Witte rozen in een cellofaantje. “Wist u, dat toen de poorten hier zo’n 180 jaar geleden voor het eerst opengingen, de begraafplaats omringd was door landerijen? Nu worden de doden omringd door een dolgedraaide wereld.” Hij grinnikt een vreugdeloos lachje. Dan kijkt hij me onderzoekend aan. “Hebt u hier ook iemand liggen?” Ik vertel dat ik enkel een wandeling maak. Dat ik verdwaald ben. De man glimlacht. “Ik vertel u graag hoe u de weg terugvindt, maar zou u mij dan ook een groot plezier willen doen, jongeman?” Hij draait zich naar de steen van zijn vrouw. “Ik had de bloemen graag in die bloemenhouder geplaatst. Maar mijn lijf is zo stram, ziet u.” Ik stap op de steen af, haal het bosje bloemen tussen het onkruid weg en zet het in de metalen bloemenhouder met water.
“Dankuwel.”
De steen is nog nieuw. Zijn vrouw heette Meredith. Ze is vorig jaar overleden.
Ik kom weer overeind. De man komt naast me staan. Met zijn ene hand trekt hij de handschoen van de andere. Een frêle hand komt tevoorschijn, die langzaam naar de steen reikt. Stroef bewegend aait hij even over de bovenrand. “Ze had Alzheimer. Al bijna tien jaar.” Hij kijkt me aan met kalme ogen. “Het is zo goed, dat het over is. Het is veel beter zo.” Hij zucht diep, berustend, en zijn adem maakt een wolkje in de koude lucht. Dan komt zijn hand los van de steen. Hij trekt zijn handschoen weer aan en wijst me uitgebreid de weg terug naar de hoofdingang. We schudden elkaar de hand en terwijl ik verder loop roept hij me na: “So long, my friend! En kom hier gerust wat vaker wandelen! Ik ben er iedere vrijdag!”



NY Restaurants Guide