Op weg naar een vriendin stap ik op het metrostation van Times Square over van de N op de 1. Het is vrijdagavond, half zes, en het treinstel is afgeladen vol. Ik wrik me nog net tussen een heer in zwarte overjas en een jonge vrouw met i-Pod als de metrodeuren achter me dichtschuiven. Terwijl de metro optrekt grijpen de armen naar houvast. Ik zie de schichtige blikken om me heen; een schreeuwerige kop in de Daily News; de wielen van een kinderwagen; twee attachékoffers. Ik ruik de adem van iemand die de hele dag koffie heeft gedronken; verregende haren; een vaag deodorantluchtje; vuurwerk. Wat? Nee, laat ik mezelf nou niet meteen gek maken om een vaag kruitluchtje. Ik zit niet met een zelfmoordterrorist in de spitsmetro onder Times Square. ’t Is gewoon een van die vele vreemde luchtjes die je en passant opsnuift in een miljoenenstad. Het luchtje is bovendien alweer opgelost.
Verderop begint iemand nadrukkelijk te kuchen. “Lady’s and gentlemen…. Het spijt me dat ik u vandaag lastig moet vallen… U heeft allemaal hard gewerkt…. De trein is volgepakt en u wilt niets liever dan snel naar uw geliefden thuis.” De stem komt van de andere kant van het treinstel. Ik kan de man niet zien, maar weet net als iedereen om me heen dat hier een dakloze spreekt. “Mijn naam is Harry,” vertelt hij, “Ik heb geen thuis. Ik ben sinds een jaar dakloos. Ik heb aids. Dat heb ik al twintig jaar. Ik slik iedere dag 27 verschillende tabletten. Ik heb altijd goed voor mezelf gezorgd en ik heb altijd gewerkt. Maar vorig jaar verloor ik mijn baan en de afgelopen maanden ben ik 40 pond afgevallen.” Tussen de menigte mensen in het gangpad door zie ik een hand gebaren. Maar weinig mensen lijken aandacht te schenken aan zijn verhaal. “Bedelen is niet mijn stijl. Een jaar geleden had ik het mij niet voor kunnen stellen dat ik hier nu zo zou staan. Het spijt me dat ik u lastig moet vallen. Alles wat ik van u vraag is wat kleingeld. Zodat ik een broodje kan kopen, en een pak sinaasappelsap.”
De trein remt alweer af. De volgende halte is 50th Street. Ik moet een halte verder zijn, op 59th, maar vraag me af of ik misschien niet beter negen blokken kan lopen – kruitlucht of geen kruitlucht. “Ik zorg goed voor mezelf,” gaat Harry verder, “Ik drink geen alcohol, en de enige drugs die ik gebruik zijn mijn medicijnen. Ik ben blij dat u allen naar mijn verhaal heeft willen luisteren en mocht u een kleinigheid voor mij over hebben, dan ben ik u daar heel dankbaar voor. God bless you all and please get home safely. Dank u wel.” De trein komt bij het perron tot stilstand. “Dank u wel, dank u wel.”Achter mij schuiven de deuren weer open. Ik doe een stap opzij en een horde passagiers stapt naar buiten. Harry schuifelt met een papieren zakje langs de mensen die zijn blijven zitten. “Dankuwel. God bless.” Hij is broodmager. Het zou aids kunnen zijn, maar ook heroïne. Of allebei.
Nieuwe reizigers stappen in. Ik ruik meer verregend haar, dan even een dikke olielucht. Ik staar nog een moment naar het Exit-bord op het perron. Negen blokken. Dan schuiven de deuren alweer dicht. Handen grijpen naar houvast terwijl de trein op gang komt. Ik ruik een zure lucht. Het is Harry, die naast me is komen staan. Even bijt hij op zijn kaken. Zijn huid is zo bleek dat je er bijna door heen kan kijken. “Lady’s and gentlemen….” Hij kucht en hapt even naar adem. Hij recht zijn rug en staart tussen de hem negerende passagiers door naar het andere uiteinde van het treinstel. “Het spijt me dat ik u vandaag lastig moet vallen. U heeft allemaal hard gewerkt. De trein is volgepakt en u wilt niets liever dan snel naar uw geliefden thuis…”

NY Restaurants Guide